Lotgenotencontact en Stigmatisering
|
Congresreader 07-12-04 Auteur:
|
Inleiding en probleemstelling
Methode
Resultaten en bespreking
Tabellen en figuur
Inleiding en probleemstelling
Het is alom bekend en aangetoond dat personen met psychische moeilijkheden vaak te maken krijgen met stigmatisering, die zowel voor de objectieve als subjectieve levenskwaliteit negatieve implicaties heeft. In onze samenleving blijken immers - ook nu nog - heel negatieve attitudes te bestaan over mensen met psychische moeilijkheden: ze worden bijvoorbeeld als gevaarlijk of lui beschouwd. Iemand die ‘psychisch ziek’ gelabeld wordt, kan rechtstreeks geconfronteerd worden met negatieve reacties, maar ook meer subtiele mechanismen zijn aan het werk. Personen met psychische problemen kennen immers zelf ook de negatieve attitudes en vrezen voor discriminatie en uitsluiting. Die angst op zich zorgt ervoor dat ze zich anders gaan gedragen en pogingen ondernemen om stigmatisering tegen te gaan, met wisselend succes. Uiteindelijk blijkt dat stigmatisering onder meer leidt tot minder kansen op:
- (goed betaald) werk
- huisvesting,
- tot slechtere sociale integratie,
- tot het vermijden of te vroeg stopzetten van hulpverlening
- tot lagere gevoelens van levenstevredenheid, zelfeffectiviteit en zelfwaardering.
In deze bijdrage concentreer ik me op de negatieve gevolgen voor de zelfwaardering. Het gevoel van zelfwaarde staat centraal in het welbevinden, en de verbetering van de zelfwaardering speelt een belangrijke rol in het rehabilitatieproces van personen met psychische moeilijkheden. Stigmatisering blijkt echter een sterke en langdurige negatieve impact te hebben op de zelfwaardering en bemoeilijkt hierdoor het proces van herstel. Is er iets dat deze negatieve invloed kan tegengaan?
In de literatuur wordt stigma meer en meer in het zogenaamde stress model opgenomen, waarbij stressoren (zoals stigma) leiden tot stress, die zich manifesteert als angst of depressiviteit. Een belangrijke schakel in dit proces is het zelfconcept. Het blijkt dat vooral stressoren die deze opvattingen over zichzelf beïnvloeden, uiteindelijk tot stress leiden.
In het stress model worden echter ook twee soorten mediatoren - dit zijn mechanismen die de impact van de stressor op de stress beïnvloeden – genoemd, namelijk coping en sociale steun. Als we dit vertalen naar de invloed van stigma op zelfwaardering, betekent dit theoretisch dat de negatieve invloed mee bepaald wordt door het al dan niet gebruiken van bepaalde copingstrategieën en het ontvangen van sociale steun.
Copingstrategieën blijken maar wisselend succes te hebben in het milderen van de negatieve impact van stigmatisering op het welbevinden. In deze bijdrage wens ik na te gaan of hetzelfde geldt voor sociale steun. Het ervaren van sociale steun leert mensen immers dat ze gewaardeerd worden, dat iemand om hen geeft en dat ze tot een groep behoren. Dit alles speelt een cruciale rol voor het herstel of behoud van de zelfwaardering.
In deze studie ga ik specifiek in op het lotgenotencontact van cliënten van rehabilitatiecentra. Lotgenoten worden in deze centra namelijk zo goed als dagelijks met elkaar geconfronteerd en in de literatuur wordt vaak naar positieve effecten van dit contact verwezen. Lotgenoten zouden elkaar goed begrijpen omdat ze in dezelfde situatie zitten en hun onderlinge steun zou een positief alternatief vormen voor de afhankelijkheidsrelaties in de cliënt-therapeut relatie. Het gevoel gesteund en gewaardeerd te worden, zou dan ook positief zijn voor hun zelfbeeld.
Ik stel me dan ook de vraag welke rol lotgenotencontact speelt in de invloed van stigmatisering op de zelfwaardering. Is dit contact in staat om de zelfwaardering te verhogen, en, meer nog, is het in staat om te fungeren als buffer tegen de negatieve impact van stigmatisering?
Methode
Deze probleemstelling zal ik uitwerken aan de hand van een kwantitatieve analyse. De gegevens maken deel uit van een ruimer sociologisch onderzoek naar determinanten van het welbevinden van bijna 700 cliënten en 200 stafleden van ruim 50 rehabilitatiecentra in Vlaanderen. Alle personen vulden een schriftelijke vragenlijst in over hun levenskwaliteit en hun ervaringen in het centrum. Voor de analyses maak ik gebruik van gegevens van 595 cliënten van wie ik over volledige informatie beschik. De beschrijving van hun kenmerken wordt weergegeven in tabel 1.
Naast onze centrale onderzoeksbegrippen stigmatisering, zelfwaardering en lotgenotensteun, worden nog enkele andere kenmerken in onze analyse opgenomen, namelijk geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, verblijfsduur en ernst van de symptomen. De effecten worden geschat aan de hand van OLS regressie-analyse. In een eerste stap worden de achtergrondskenmerken opgenomen, waarna achtereenvolgens stigmatisering, lotgenotensteun en de interactieterm tussen beide variabelen toegevoegd worden.
Resultaten en bespreking
De gegevens worden gepresenteerd in tabel 2. Een eerste resultaat is dat stigmatisering inderdaad een negatieve impact heeft op de zelfwaardering. Belangrijk is hierbij dat deze invloed plaats vindt, ook als men rekening houdt met de ernst van de psychische klachten. We kunnen de stigma-ervaringen dus niet zomaar toeschrijven als neveneffecten van de psychische problematiek, zoals sommige tegenstanders van één van de belangrijkste theorieën met betrekking tot stigmatisering beweren.
Daarnaast stellen we eveneens vast dat het ervaren van lotgenotensteun bijdraagt tot een beter zelfwaardegevoel. Hoe meer de cliënten zich gewaardeerd en geapprecieerd voelen door hun lotgenoten, hoe positiever ze staan tegenover zichzelf. In de laatste kolom worden de interactie-effecten weergegeven, die aanduiden of lotgenotencontact in staat is de negatieve impact van stigmatisering tegen te gaan. We vinden alweer een significant effect. Als we dit resultaat echter van nabij bestuderen, stellen we geen buffereffect vast. Figuur 1 toont aan hoe ervaren lotgenotensteun enkel een rol speelt voor de zelfwaardering bij cliënten die slechts weinig stigmatisering ervaren.
Volgens de bufferhypothese daarentegen zou sociale steun enkel zijn nut bewijzen onder omstandigheden van hoge stress (veel stigma) en zouden we geen verschillen mogen vinden onder lage stress condities. Het ervaren van waardering en appreciatie in de lotgenotengroep is dus niet in staat de negatieve impact van stigmatisering op de zelfwaardering te counteren.
Stigmatisering en lotgenotensteun blijken daarenboven in negatief verband te staan. Positief lotgenotencontact betekent dus geen compensatie voor de negatieve contacten met de buitenwereld. Bovendien bestaat de mogelijkheid dat stigmatisering er net toe bijdraagt dat cliënten zich moeilijk identificeren met anderen met psychische moeilijkheden, als een soort ontkenningsstrategie, wat ook een typische houding is als poging tot behoud van de zelfwaardering.
Vreemd is dan wel dat dit proces plaats zou vinden bij cliënten die al lang naar het centrum komen (gemiddeld bijna drie jaar), terwijl deze ontkenning en weigering tot identificatie eerder typisch zijn bij het begin van de hulpverlening.
De resultaten zijn misschien ook vreemd in het licht van vorig onderzoek dat wel een positieve invloed van lotgenotencontact met betrekking tot stigmatisering aantoonde of suggereerde. Deze studies situeerden zich echter vooral in organisaties waar lotgenotencontact centraal staat, terwijl dit zeker niet het geval was in ons onderzoek. Integendeel, verschillende begeleiders vertrouwden ons toe dat lotgenotensteun afgeraden en gedemotiveerd werd. Het zou dus zeker interessant zijn om na te gaan onder welke condities lotgenotencontact zijn positieve werking kan verrichten.
Tot slot nog een bedenking: zelfs al zou onderlinge steun van lotgenoten in bepaalde omstandigheden als een buffer functioneren tegen de negatieve impact van stigmatisering, het destigmatiseert niet zolang het niet ook op contact met de ‘buitenwereld’ gericht is.
Tabellen en figuur.

Laatst aangepast (maandag 09 augustus 2010 15:00)


