Signaleringen stigma
Het kost veel tijd om alle relevante rehabilitatie literatuurbij te houden. Wij vinden dat het kenniscentrum óók een functie heeft om u op de hoogte te houden van belangrijke nieuwe publicaties. De selectie van de artikelen wordt door Jaap van Weeghel gemaakt uit gerenommeerde internationale tijdschriften. Toine Ketelaars vat ze samen.
|
Signaleringen, compleet overzicht |
- gepubliceerd in 2011
- gepubliceerd in 2010
- gepubliceerd in 2009
- gepubliceerd in 2008
- gepubliceerd in 2007
- gepubliceerd in 2006
Jonge Australïers denken dat vooral personen met een psychose of schizofrenie onvoorspelbaar zijn
Dit is een deelstudie van een Australische survey naar stigmatiserende houdingen ten opzichte van personen met depressie, angststoornissen en psychose/schizofrenie. Er werd aan 3021 Australiërs van 15 tot 25 jaar één van de volgende vignetten voorgelegd waarin een stoornis wordt beschreven: depressie, depressie met suïcidale gedachten, depressie met alcoholmisbruik, eerste psychose of schizofrenie, sociale fobie en PTSS. Aan de hand van zes uitspraken werden het persoonlijke stigma en het stigma dat door de respondent aan anderen wordt toegekend (perceived stigma) gemeten. Sociale afstand werd met vijf andere uitspraken in kaart gebracht. Over het algemeen konden de respondenten de uitspraak dat personen met het beschreven probleem onvoorspelbaar zijn het meest onderschrijven. Het vermijden van de beschreven personen (sociale afstand) werd het minst onderschreven. De stigma-scores voor perceived stigma waren veel hoger dan die voor het persoonlijke stigma: je denkt altijd dat anderen meer discrimineren dan jezelf. Opmerkelijk was wel dat de sociale afstandscores en de onvoorspelbaarheidscores tussen de verschillende stoornissen grote verschillen laten zien. Men vindt personen met psychose/schizofrenie het meest onvoorspelbaar.
Reavley NJ & Jorm AF (2011). Young people's stigmatizing attitudes towards people with mental disorders: findings from an Australian national survey. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry 45 (12), 1033–1039.
Trefwoord: Stigma
Anti-stima campagnes kunnen zich beter op individuele stoornissen gaan richten dan op psychische problemen in het algemeen
Voor personen met psychische stoornissen vormt stigma een groot probleem. Dit artikel is een verslag van een Australische survey (N=6019; 15+) naar stigmatiserende houdingen ten opzichte van personen met depressie, angststoornissen en schizofrenie. Aan de respondenten werd één van de volgende zes vignetten voorgelegd waarin een stoornis is beschreven: depressie, depressie met suïcidale gedachten, depressie met alcoholmisbruik, eerste psychose of schizofrenie, sociale fobie en PTSS. Het persoonlijke stigma, het stigma dat aan anderen wordt toegekend (perceived stigma) en de sociale afstand werden gemeten. Het meest opmerkelijke resultaat van deze survey is dat er grote verschillen worden gemeten tussen de scores van de zes verschillende vignetten. Verder zijn de persoonlijke stigma scores veel lager dan de perceived stigma scores (‘pluralistic ignorance’). De meeste discriminatie, sociale afstand en onvoorspelbaarheid wordt toegekend aan eerste psychose en schizofrenie, terwijl sociale fobie niet als een echte ziekte wordt beschouwd. De auteurs komen tot de conclusie dat anti-stigma campagnes voortaan beter op individuele stoornissen gericht kunnen worden in plaats van op psychische stoornissen in het algemeen.
Reavley NJ & Jorm AF (2011). Stigmatizing attitudes towards people with mental disorders: findings from an Australian National Survey of Mental Health Literacy and Stigma. Australian and New Zealand Journal of Psychiatry 45 (12), 1086–1093.
Trefwoord: Stigma
Groot deel van recent uit psychiatrisch ziekenhuis ontslagen adolescenten is niet bang gestigmatiseerd te worden
In de VS is de opnameduur in psychiatrische ziekenhuizen ook voor jongeren (13 tot 19 jaar) terug gebracht tot (meestal) enkele dagen per opname. Het aantal opnames en heropnames voor deze groep is evenwel toegenomen. Omdat het ervaren van stigma een negatieve invloed op de behandeling kan hebben, wordt in dit onderzoek gepoogd zicht te krijgen of en zo ja in welke mate adolescenten (N=102), die net uit een psychiatrisch ziekenhuis ontslagen zijn, bang zijn gestigmatiseerd te worden door hun omgeving. De interviews met de adolescenten werden binnen 7 dagen na ontslag gehouden. Met behulp van de Model of Stigma-Induced Identity Threat kwamen de volgende dimensies, die invloed hebben op de vrees voor stigma, aan de orde: groepsidentificatie (met welke peer group voelt men zich het meest verbonden), sociale gerichtheid (uit welke groepen komen de eigen vrienden), zelf-identificatie (al dan niet identificeren met stoornis), domein identificatie (toekenning betekenis van de stoornis), behoefte aan bevestiging door anderen, klinische en demografische kenmerken, ervaren stigma door samenleving, ervaren sociale steun van familie en vrienden. Het blijkt dat maar 21% van de ondervraagde adolescenten bang was gestigmatiseerd te worden. Deze groep is eerder vrouw, eerder op zeer jonge leeftijd al met GGZ in aanraking gekomen, heeft minder zelfvertrouwen, heeft meer behoefte aan bevestiging door anderen, heeft meer persoonlijke ervaringen met stigma en identificeert zich niet met peers die ook psychische problemen hebben.
Moses T, (2011). Stigma Apprehension Among Adolescents Discharged From Brief Psychiatric Hospitalization. Journal of Nervous & Mental Disease. 199 (10), 778-789.
Trefwoord: Stigma
Sommige case managers zijn in staat de negatieve effecten van zelf-stigma te verminderen
Ook bij evidence-based interventies blijven er grote verschillen in de individuele behandeluitkomsten die niet verklaard kunnen worden. Twee van de factoren die van invloed kunnen zijn op de uitkomsten bij ambulante personen met ernstige psychiatrische aandoeningen zijn de mate van zelf-stigma en de persoonlijkheid en aanpak van de case manager. In deze Amerikaanse cross-sectionele studie (n=160) werd bekeken: 1. Is er een verband tussen case managers en de perceptie van de cliënten over hun kwaliteit van leven; 2. Is er een verband tussen ervaren zelf-stigma en de perceptie van hun kwaliteit van leven; 3. In hoeverre hebben case managers invloed op het verband tussen ervaren zelf-stigma en kwaliteit van leven bij de cliënten. Kwaliteit van leven werd gemeten met Lehman's Quality of Life Interview en ervaren zelf-stigma met de Devaluation and Discrimination Scale. Van elke deelnemer werd de naam van case managers opgespoord. Er werd een duidelijk verband gevonden tussen een hoge mate van zelf-stigma en een lage ervaren kwaliteit van leven. Echter: sommige case managers waren in staat om de negatieve effecten van zelf-stigma op de ervaren mate van kwaliteit van leven significant te verminderen.
Kondrat DC & Early TJ (2011). Battling in the Trenches: Case Managers’ Ability to Combat the Effects of Mental Illness Stigma on Consumers’ Perceived Quality of Life. Community Mental Health Journal 47 (4), 390-398
Trefwoord: Stigma
Ervaringsdeskundige GGZ-werknemers signaleren significant vaker discriminatie ten opzichte van GGZ-cliënten dan de clinici
Bij GGZ-hulpverleners is de behoefte om sociale afstand ten opzichte van personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) (hun eigen patiënten!) te houden minimaal even groot als bij de doorsnee bevolking. De laatste tijd zijn er veel ervaringsdeskundigen op allerlei posities binnen de GGZ binnengestroomd. In deze Amerikaanse exploratieve studie werden via een websurvey aan ervaringsdeskundige GGZ-werknemers (N=51) en reguliere GGZ-hulpverleners (N=52) gevraagd of er volgens hen binnen hun organisatie sprake is van discriminatie (stigma) ten aanzien van de cliënten. Ook werd aan beide groepen gevraagd in hoeverre de ervaringsdeskundige GGZ-werknemers worden gediscrimineerd. De theorie van Kanter (1977) over 'tokenism' en de theorie van Sue (2010) over microagressie op de werkvloer worden als kader gebruikt. De ervaringsdeskundige GGZ-werknemers bemerkten significant vaker discriminatie ten opzichte van de cliënten dan de reguliere hulpverleners. Ook ervoeren de ervaringsdeskundige GGZ-werknemers meer discriminatie jegens henzelf dan de clinici waarnamen. Omdat (bedekte) discriminatie negatief kan werken op de uitkomsten bij EPA, kan het zijn dat de GGZ-instellingen de symptomen verergeren.
Stromwall LK, Holley LC & Bashor KE (2011). Stigma in the Mental Health Workplace: Perceptions of Peer Employees and Clinicians. Community Mental Health Journal 47 (4), 472-481.
Trefwoord: Stigma
Ending Self-Stigma (ESS) interventie heeft effect op afname van geïnternaliseerd stigma
Er is veel behoefte aan interventies die zelf-stigma bij personen met ernstige psychiatrische aandoeningen (EPA) verminderd. In deze Amerikaanse pilot studie (N=34) werd de speciaal ontwikkelde Ending Self-Stigma (ESS) geëvalueerd. De ESS bestaat uit een gestructureerde cursus van negen wekelijkse sessies van 90 minuten waarin de volgende werkvormen worden gebruikt: doceren, discussie, uitwisselen van persoonlijke ervaringen, oefenen van vaardigheden, aanleren van probleemoplossende technieken. Aan de orde komen o.a.: mythen van feiten leren onderscheiden, leren gebruiken van cognitieve gedragstherapeutische principes om zelf-stigmatiserend denken te veranderen en positieve aspecten van zichzelf leren versterken. Vóór en na de ESS werden de volgende lijsten afgenomen: de Internalized Stigma of Mental Illness (ISMI), de Mental Health Recovery Measure (MHRM), de Multidimensional Scale of Perceived Social Support (MSPSS) en de Boston University Empowerment Scale. De primaire uitkomstvariabelen waren de totale scores van genoemde meetinstrumenten. Na de ESS was het gemeten zelf-stigma significant afgenomen en waren de ervaren sociale steun en de gerichtheid op recovery significant toegenomen. ESS is een veelbelovende interventie.
Lucksted A, Drapalski A, Calmes C, Forbes C, DeForge B & Boyd J (2011). Ending Self-Stigma: Pilot Evaluation of a New Intervention to Reduce Internalized Stigma Among People with Mental Illnesses. Psychiatric Rehabilitation Journal 35 (1), 51-54.
Trefwoord: Stigma
Effectieve anti-stigma campagnes moeten vijf elementaire principes hanteren
In deze Best Practices column vat een van de meest prominente Amerikaanse anti-stigma onderzoekers de ervaringen van de afgelopen tien jaar samen. Strategic Stigma Change (SSC) moet aan de volgende vijf principes voldoen: 1. Fundamenteel is persoonlijk face-to-face contact tussen personen met psychische stoornissen en bepaalde doelgroepen uit het algemene publiek. 2. Die ontmoetingen moeten op bepaalde sleutelgroeperingen gericht zijn zoals werkgevers, huisbazen en managers uit de gezondheidszorg; het persoonlijke verhaal moet voorbeelden bevatten vatten van stigma ervaringen tijdens het proces van herstel. 3. De ontmoetingen moeten op de lokale situatie zijn aangepast. 4. De personen die hun levensverhaal komen vertellen moeten geloofwaardig zijn d.w.z. dat het publiek zich met die persoon kan identificeren. 5. De ontmoetingen moeten worden herhaald; eenmalige bijeenkomsten beklijven niet.
Patrick W. Corrigan (2011). Best Practices: Strategic Stigma Change (SSC): Five Principles for Social Marketing Campaigns to Reduce Stigma. Psychiatric Services 62 (8), 824-826.
Trefwoord: Stigma
Het zelf-stigma proces bij adolescenten die psychotrope medicatie gebruiken heeft andere indicatoren dan bij volwassenen
Stigma heeft betrekking op negatief sociaal gedrag, reacties en houdingen ten opzichte van mensen met een psychische stoornis. Zelf-stigma heeft betrekking op personen met een psychische stoornis die deze maatschappelijke vooroordelen internaliseren. Men gaat ervan uit dat personen die zichzelf stigmatiseren minder snel hulp zullen zoeken uit angst voor vooroordelen en discrimininatie. Bij volwassenen zijn de indicatoren van het zelf-stigma proces: van stereotypering, naar vooroordeel tot discriminatie. In deze kwalitatieve Amerikaanse studie (N=27) probeert men een model te ontwikkelen waarmee het zelf-stigma proces bij adolescenten (12 tot 17 jaar) die psychotrope medicatie gebruiken geconstrueerd kan worden. Het gaat om jongeren met stemmingsstoornissen en ADHD. Voor de semi-gestructeerde interviews werd de Teen Subjective Experience Medication Interview (TeenSEMI) gebruikt. Omdat zelf-stigmatiserende adolescenten voor andere ontwikkelingsvragen staan, blijken hun thema’s iets te verschillen met die van de volwassenen. De adolescenten ontwikkelen ook stereotype oordelen over zichzelf. Zij gaan zich anders dan hun leeftijdsgenoten voelen, en omdat in hun ontwikkelingsfase het erbij willen horen van groot belang is, pogen ze het feit dat ze medicatie slikken zo veel mogelijk te verbergen. Er zijn wel verschillen tusen blanken en Afro-Amerikanen.
Kranke DA, Floersch J, Kranke BO & Munson MR (2011). A Qualitative Investigation of Self-Stigma Among Adolescents Taking Psychiatric Medication. Psychiatric Services 62 (8), 893-899.
Trefwoord: Stigma
Het op een sociale afstand willen houden van personen met psychische stoornissen wordt niet verklaard door wat men denkt dat oorzaak van de stoornis is
In deze stigma-studie werd bij een groep studenten (N=118) uit het Mid-Westen van de VS met behulp van vignetten onderzocht of de sociale afwijzing van personen met een psychische stoornis kan worden verklaard uit het toekennen van biologische of niet-biologische oorzaken aan het ontstaan van de stoornis en of er onderlinge verschillen tussen diverse stoornissen worden gevonden. Als meetinstrument werd de Social Distance Desirability Scale (SDDS) gehanteerd. Het opmerkelijke van deze studie is dat er geen verband werd gevonden tussen de mate van sociale afstand ten opzichte van personen met psychische stoornissen en het toekennen van biologisch of niet-biologisch oorzaken van deze stoornissen. Het op een afstand willen houden van personen met psychische problemen moet op andere gronden berusten. Overigens waren er wel grote onderlinge verschillen tussen de stoornissen: men wil de meeste afstand van alcoholisten, gevolgd door personen met schizofrenie. Ten opzichte van personen met autisme, ADHD of angststoornissen is het stigma beduidend minder.
Sears PM, Pomerantz AM, Segrist DJ & Rose P (2011). Beliefs About the Biological (vs. Nonbiological) Origins of Mental Illness and the Stigmatization of People with Mental Illness. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 14 (2), 109-119.
Trefwoord: Stigma
Stigma ten opzichte van personen met schizofrenie is in de VS gestegen tussen 1996 en 2006
In dit Amerikaanse onderzoek werden de data van de General Social Surveys (GGS) uit 1996 (N=1092) en 2006 (N=1412) met elkaar vergeleken. Er werden vignetten voorgelegd met gedragsbeschrijvingen die voldoen aan klinische criteria voor alcoholisme, depressie, schizofrenie en geringe problemen. Er werd gekeken naar het verband tussen een persoon een psychische stoornis toekennen en sociale afstand nemen, en of personen met een psychische stoornis als gevaarlijk worden beschouwd. Het blijkt dat de behoefte aan sociale afstand ten opzichte van personen met alcoholisme of depressie in 2006 significant lager was dan in 1996. Ten opzichte van personen met schizofrenie is de behoefte aan sociale afstand echter toegenomen. Dit heeft voor een deel te maken met het oordeel van de respondenten dat men personen met schizofrenie gevaarlijk vindt. Overigens wil men alcoholici nog steeds het minst in de buurt hebben. Respondenten die jonger, blank en beter opgeleid zijn en vaker een religieuze dienst bezoeken tonen minder sociale afstand van personen met psychische problemen.
Silton NR, Flannelly KJ, Milstein G & Vaaler ML (2011). Stigma in America: Has Anything Changed?: Impact of Perceptions of Mental Illness and Dangerousness on the Desire for Social Distance: 1996 and 2006. Journal of Nervous & Mental Disease 199 (6), 361-366.
Trefwoord: Stigma
Personen met meer kennis over en tolerantie ten opzichte van psychische problemen zoeken eerder hulp als ze zelf problemen krijgen
In Europa zoekt ongeveer de helft van de personen die GGZ-hulp nodig heeft ook daadwerkelijk contact met hulpverleners. In deze Engelse studie werden representatieve survey-gegevens (N=1751) geanalyseerd uit 2008 en 2009 met o.a. vragen over: 1. Gaat men hulp zoeken als men zelf een psychisch probleem heeft; 2. Zal men het aan vrienden en familie vertellen als men een psychiatrische diagnose heeft gekregen; 3. Kennis over psychische stoornissen en behandelingen (gemeten met de Mental Health Knowledge Schedule); 4. De mate waarin men contact heeft met personen met psychische problemen. Er blijkt een verband te bestaan tussen het hebben van een tolerante houding ten opzichte van de GGz en meer kennis over psychische problemen enerzijds én de intentie om naar de huisarts te gaan als men zelf psychische problemen krijgt en de neiging om met bekenden over de eigen psychische problemen te praten anderzijds. Dus initiatieven die de kennis en positieve houding over psychische problemen doen toenemen zullen tot meer hulpzoekgedrag en het minder verborgen houden van psychische problemen leiden.
Rüsch N, Evans-Lacko SE, Henderson C, Flach C & Thornicroft G (2011). Knowledge and Attitudes as Predictors of Intentions to Seek Help for and Disclose a Mental Illness. Psychiatric Services 62 (6), 675-678.
Trefwoord: Stigma
Ouders van jongeren met een psychose communiceren òf open òf zeer terughoudend met hun omgeving over ziekte van hun kind
In deze kwalitatieve Australische studie werden 20 verzorgers (waarvan 85% moeders) van jongvolwassenen die een eerste psychose hadden ervaren geïnterviewd over hoe ze met het stigma om zijn gegaan terwijl ze hun verzorgende rol hebben behouden. Het blijkt dat er duidelijk twee groepen te onderscheiden zijn: 1. Verzorgers gaan open met het stigma van de psychose om; 2. Verzorgers verzwijgen de psychose voor hun sociale omgeving. De open verzorgers maken een onderscheid tussen open zijn met familieleden en open zijn met vrienden. Niet alle open verzorgers krijgen ook daadwerkelijk steun van familie of vrienden. De gesloten verzorgers deden dat o.a. om zelf stigma te vermijden, om schaamte uit de weg te gaan of omdat ze angst hadden status te verliezen. Verzorgers uit etnische minderheden kiezen vaker voor het verzwijgen van de ziekte. Met name deze laatste groep ervaart een extra belasting en vraagt om aanvullende steun van hulpverleners.
McCann TV,. Lubman DI & Clark E. (2011). Responding to Stigma: First-Time Caregivers of Young People With First-Episode Psychosis. Psychiatric Services 62 (5), 548-550.
Trefwoord: Stigma
In de VS is het stigma ten opzichte van mensen met psychische problemen toegenomen ondanks acceptatie neurobiologisch verklaringsmodel
In de afgelopen 15 jaar werden antistigma campagnes in de VS opgezet vanuit het idee dat als het algemene publiek ervan overtuigt raakt dat psychische stoornissen een neurobiologische oorzaak hebben waarvoor goede behandelingen bestaan, de vooroordelen vanzelf zullen afnemen. In dit artikel worden de resultaten van twee metingen (1996 en 2006) binnen de General Social Survey (GGS) besproken, waarbij met behulp van vignetten werd gevraagd naar reacties op personen met Schizofrenie (N=650), Ernstige Depressie (N=676) of Alcoholisme (N=630). Er werd gevraagd naar wat volgens de respondent de oorzaak van de stoornis van de persoon in het vignet was, bij wie deze persoon hulp moest gaan zoeken en of men sociale afstand van de beschreven persoon zou houden én of men de persoon gevaarlijk vond. Het blijkt dat tussen 1996 en 2006 het algemene publiek psychische stoornissen significant vaker zijn gaan zien als veroorzaakt door een neurobiologisch probleem dat behandeld kan worden. Onverwacht blijken ook de stigmatiserende reacties te zijn toegenomen. Antistigma campagnes zullen anders moeten worden opgezet om hun doel te bereiken.
Pescosolido BA, Martin JK, Long JS, Medina TR, Phelan JC & Link BG (2010).
"A Disease Like Any Other"? A Decade of Change in Public Reactions to Schizophrenia, Depression, and Alcohol Dependence. American Journal of Psychiatry 167 (11), 1321-1330
Trefwoord: Stigma
Engelse werkgevers moeten beter ingelicht worden over arbeidsvaardigheden van psychiatrische patiënten
De Social Exclusion Unit in het VK heeft in 2004 vastgesteld dat mensen met psychische problemen een van de meest uitgesloten groepen in de maatschappij zijn. In dit Engelse onderzoek werden eerst tien HR managers en tien consultants van wervingsbureaus geïnterviewd over hun houding ten opzichte van het aannemen van psychiatrische patiënten. O.a. met behulp van hun antwoorden werd een vragenlijst voor werkgevers (N=41) over dit onderwerp ontwikkeld. Het blijkt dat de consultants geen problemen zien in het voordragen aan werkgevers van mensen met een psychisch probleem. De werkgevers daarentegen denken vaak dat mensen met psychische problemen niet te vertrouwen zijn, supervisie nodig hebben, vaker door ziekte afwezig zijn en niet kunnen worden ingezet in functies waarbij er klantencontact is. Het vooroordeel dat mensen met psychische problemen gevaarlijker en gewelddadiger zijn dan anderen wordt door de media gevoed. Volgens de auteurs kan via de media en via speciaal op werkgevers gerichte campagnes de positie op de arbeidsmarkt voor personen met psychische problemen worden verbeterd.
Biggs D, Hovey N, Tyson PJ & MacDonald S (2010). Employer and employment agency attitudes towards employing individuals with mental health needs. Journal of Mental Health Dec 19 (6), 509–516
Trefwoord: Werken; Stigma
Stigma ten opzichte van mensen met psychiatrische problemen vermindert na zien van persoonlijke film over hun ziekte
Er worden verschillende soorten interventies ingezet om stigma ten aanzien van mensen met psychiatrische problemen te doen verminderen. Met name educatieve interventies en interventies waarbij er contact is met personen met een psychiatrische stoornis hebben vaak een positief effect. In deze Amerikaanse studie worden de effecten van twee korte interventies met elkaar vergeleken: een gefilmd persoonlijk contact werd bekeken (N=40) én een auditieve simulatie werd ‘ondergaan’ (N=58). Het audio fragment is ontleend aan de workshop Hearing Voices that are Distressing van Deegan. Daarnaast was er een controle groep (N=45). De deelnemers zijn studenten van een universiteit in het Midwesten. Zowel vóór de interventie als één week daarna werd bij de deelnemers de Social Distance Scale en de Affect Scale afgenomen. Het bleek dat bij de groep die de film had gezien de sociale afstand en negatieve emoties ten aanzien psychische stoornissen significant afnamen. Bij de groep die de auditieve simulatie had ondergaan namen sociale afstand en negatieve emoties juist toe.
Brown SA, Evans Y, Espenschade K & O’Connor M (2010). An Examination of Two Brief Stigma Reduction Strategies: Filmed Personal Contact and Hallucination Simulations
Community Mental Health Journal 46 (5), 494-499
Trefwoord: Stigma
Inzetten van een korte auditieve hallucinatie lijkt als anti-stigma strategie contraproductief
Een aanzienlijk deel van de bevolking heeft de opvatting dat mensen met een psychische stoornis òf onvoorspelbaar òf gewelddadig c.q. gevaarlijk zijn. Auditieve en visuele simulaties die de eraring van psychiatrische patiënten nabootsen worden o.a. gebruikt in de training voor hulpverleners. In deze Amerikaanse studie (N=127) wordt gekeken of het luisteren naar een korte auditieve hallucinatie invloed heeft stigma ten aanzien van psychische stoornissen. De deelnemers zijn universitaire studenten en werden in twee groepen ingedeeld: 1. Luisterden naar de simulatie in het laboratorium zonder andere taken uit te voeren (N=65); 2. Tijdens het luisteren kregen ze twee eenvoudige opdrachten uit te voeren op de campus (N=62). Vóór en na de simulatie werd stigma gemeten met de Attribution Questionnaire-27. Het blijkt dat bij beide groepen –tegen de verwachting in- het stigma gedeeltelijk toenam omdat de bereidheid om contact aan te gaan met psychiatrische patiënten afnam en omdat men een grotere voorstander van gedwongen behandeling werd.
Brown SA (2010). Implementing a Brief Hallucination Simulation as a Mental Illness Stigma Reduction Strategy. Community Mental Health Journal 46 (5), 500-504
Trefwoord: Stigma
Het In Our Own Voice programma vermindert stigmatiserende percepties van en herinneringen aan psychische stoornissen
Stigma ten aanzien psychische stoornissen kan vanuit twee kanten worden beschreven: stigma door de algemene bevolking én zelf-stigma door personen met een psychische stoornis door internaliseren. In Our Own Voice (IOOV-90) is een 90 minuten durend anti-stigma programma waarbij ervaringsdeskundigen aan het algemene publiek, ondersteunt door stukken film, uitleggen hoe een psychische stoornis kan verlopen. Er is ook een korte versie van ontwikkeld: IOOV-30. In deze Amerikaanse studie worden effecten van IOOV-90 (N=66), de IOOV-30 (N=67) en een groep die een educatieve uitleg kreeg over misvattingen ten aanzien van psychische stoornissen (N=67) met elkaar vergeleken. Als uitkomstmaat werd de Life Story Memory Test (LSMT) genomen die bij de drie groepen na de interventie werd afgenomen. Met de LSMT worden positieve en negatieve uitspraken over het levensverhaal van een persoon met een psychische stoornis –gespeeld door een acteur- verzameld. Het blijkt dat de deelnemers aan de IOOV-90 en de IOOV-30 positiever ten opzichte van de persoon met het psychisch probleem staan dan de deelnemers uit de controle groep.
Corrigan PW, Rafacz JD, Hautamaki J, Walton J, Rüsch N, Rao D, Doyle P, O’Brien S, Pryor J & Reeder G (2010). Changing Stigmatizing Perceptions and Recollections About Mental Illness: The Effects of NAMI’s In Our Own Voice. Community Mental Health Journal 46 (5), 517-522
Trefwoord: Stigma
Nieuwe opzet van DSM-V kan positieve én negatieve gevolgen voor stigma hebben
Personen met een psychische stoornis kunnen lijden onder drie vormen van stigma: publiek stigma, zelf-stigma en label vermijding. Bij publiek stigma gaat het om stereotypering door de meerderheid van een groep met een bepaald kenmerk (b.v. psychische stoornis). Als het publieke stigma door de gestigmatiseerde groep wordt geïnternaliseerd spreken we van zelf-stigma. Bij label vermijding gaat het om mensen met een psychisch probleem die geen hulp zoeken om geen slachtoffer van stigmatisering te worden. Het toekennen van diagnoses kan stigma doen toenemen door het sociaal-cognitieve proces van groupness –de ggz-patiënten worden als één groep opgevat-, waarbij die groep als een homogene en onveranderbare groep wordt gezien. In de DSM-V wil men met dimensies (schalen) gaan werken in plaats van met categorieën. Nu is een diagnose aan- of afwezig, bij de DSM-V heb je meer of minder ernstige symptomen op allerlei dimensies. De kans op een proces van groupness neemt hierdoor af. Nieuw in de DSM-V zijn de risico-inschattingen, b.v. het psychosis risk syndrome. Dit is klinisch relevant maar veel meer personen kunnen nu een diagnose krijgen met onbedoelde stigmatiserende effecten.
Ben-Zeev D, Young MA & Corrigan PW (2010). DSM-V and the stigma of mental illness. Journal of Mental Health 19 (4), 318–327
Trefwoord: Stigma
Grote verschillen in ervaren discriminatie bij blanke vrouwen, blanke mannen, zwarte vrouwen en zwarte mannen met een ernstige psychiatrische stoornis
In deze Amerikaanse studie werd bij vier subcategoriën psychiatrische patiënten –blanke vrouwen (N=179), blanke mannen (N=123), zwarte vrouwen (N=160) en zwarte mannen (N=142)- gemeten in welke mate men discriminatie ervaart, of die discriminatie op grond van ras of sekse werd gemaakt en in welke context (b.v. op het werk). Er werd gemeten met de Discrimination Questionnaire (DQ). Van de totale groep voelt 47% zich gediscrimineerd. Er blijken grote verschillen in de ervaren discriminatie: met name blanke vrouwen voelen zich het meest gediscrimineerd om hun psychische stoornis. In vergelijking met blanke mannen, voelen zwarte vrouwen én zwarte mannen zich meer gediscrimineerd vanwege hun sekse. Meer dan de helft van de participanten ervaart discriminatie in de werkomgeving. Dit verhoogt de stress en is mogelijk een barrière om aan het werk te gaan. Met name zwarte mannen ervaren discriminatie bij opleidings- en scholingsinstellingen. Hoe hoger de opleiding die men heeft genoten, hoe minder men in de scholingsomgeving discriminatie ervaart.
Glover CM, Corrigan P & Wilkniss S (2010). The effects of multiple categorization on perceptions of discrimination, life domains, and stress for individuals with severe mental illness. Journal of Vocational Rehabilitation 33 (2), 113-121.
Trefwoord: Stigma
De waarde die iemand toekent aan het krijgen van een psychiatrische diagnose heeft grote invloed op het verloop van het herstelproces
In deze Amerikaanse studie wordt op de eerste plaats een model gepresenteerd over de mogelijke invloed van het bewustzijn dat iemand een psychiatrische stoornis heeft (ziekte-identiteit) op de verschillende herstelgerelateerde uitkomsten. Vervolgens wordt evidentie uit de literatuur die het model ondersteunt besproken. In het model wordt ervan uitgegaan dat het van groot belang is wat voor waarde de persoon die een psychiatrische diagnose krijgt daaraan toekent (b.v. het al dan niet internaliseren van stigma). Vervolgens wordt verondersteld dat de ziekte-identiteit invloed heeft op gevoelens van hoop en gevoel van eigenwaarde. Deze hebben op hun beurt invloed op suïciderisico en coping strategieën. De gehanteerde copingstrategie heeft direct invloed op werkuitkomsten, ernst van symptomen en sociale interactie. De auteurs bespreken literatuur waarin bewijs wordt geleverd voor de veronderstelde verbanden. Niet alle verbanden zijn overtuigend bewezen. Het ontbreken van hoop en het overnemen van stigma kan de effectiviteit van evidence-based interventies voor individuele patiënten verminderen. Cognitieve Gedragstherapie of 'narrative enhancement' zou hiervoor uitkomst kunnen bieden.
Yanos PT, Roe D & Lysaker PH (2010). The Impact of Illness Identity on Recovery from Severe Mental Illness. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 13 (2), 73-93.
Trefwoord: Stigma
Hulpverleningsaanbod en ervaren stigma hebben onafhankelijk van elkaar invloed op kwaliteit van leven bij chronisch psychiatrische patiënten
In deze Amerikaanse studie werd gebruik gemaakt van een dataset die de relatie tussen stigma, ggz-hulpverlening en ervaren kwaliteit onderzocht. In totaal werden de gegevens van 188 ernstig psychiatrische patiënten op twee meetmomenten (baseline én na 6 maanden) verzameld. Gemeten werden: kwaliteit van leven m.b.v. Lehman's Inventory, van welk hulpverleningsaanbod gebruik gemaakt was –intramuraal of ambulant, ervaren stigma werd gemeten m.b.v. Link's Devaluation-Discrimination scale, gevoel van eigenwaarde m.b.v. Rosenbergs Self-Esteem Scale en het gevoel van 'mastery' m.b.v. een schaal van Pearlin. Uit de statistische analyses kwam o.a. het volgende naar voren: counseling (ambulante hulpverlening) deed kwaliteit van leven toenemen, intramurale behandeling had een negatieve invloed op ervaren kwaliteit van leven. Er werd geen verband gevonden tussen ervaren stigma en veranderingen in kwaliteit van leven. Stigma heeft wel invloed op gevoelens van eigenwaarde en 'mastery': hoe hoger ervaren stigma des te lager eigenwaarde en 'mastery'.
Marcussen K, Ritter C & Munetz MR (2010). The Effect of Services and Stigma on Quality of Life for Persons With Serious Mental Illnesses. Psychiatric Services 61 (5), 489-494
Trefwoord: Stigma
Valide eenvoudig nieuw meetinstrument om stigma te meten kan bij vele surveys worden ingepast
In dit Amerikaanse artikel wordt verslag gedaan van de ontwikkeling en eerste test van een speciaal ontwikkeld eenvoudig meetinstrument dat de houding meet ten opzichte van personen met een psychiatrische stoornis. Dit gebeurt in opdracht van de Amerikaanse overheid. Als uitgangspunt werd de Britse Omnibus National Survey (ONS) genomen, ontwikkeld door de Royal College of Psychiatrists om stigma te meten. Uiteindelijk is er een lijst met elf vragen in de jaarlijkse HealthStyles Survey opgenomen. Een representatieve steekproef van het Amerikaanse volk (n=5251) heeft de vragenlijst ingevuld. Het blijkt dat slechts 4% van de respondenten vindt dat een persoon met een psychische stoornis (PMPS) zelf schuld heeft aan zijn conditie. Ongeveer 30% denkt dat een PMPS niet kan herstellen. De vragenlijst kan tot twee categorieën worden terug gebracht: negatieve stereotypen en herstel en uitkomsten. Factor analyse bevestigde de convergente validiteit van deze twee subschalen. Het blijkt dat personen die zelf met een psychische stoornis in aanraking zijn geweest (bij henzelf of bij bekende) duidelijk minder stigma hebben dan anderen. Deze subschalen kunnen in allerlei surveys worden meegenomen zodat er veel meer data over stigma gegenereerd kunnen worden.
Kobau R, DiIorio C, Chapman D, Delvecchio P & SAMHSA/CDC Mental Illness Stigma Panel Members (2010). Attitudes About Mental Illness and its Treatment: Validation of a Generic Scale for Public Health Surveillance of Mental Illness Associated Stigma. Community Mental Health Journal 46 (2), 164-176
Trefwoord: Stigma
Impliciet zelf-stigma bij personen met een ernstige psychiatrische aandoening voorspelt lage kwaliteit van leven
Impliciet zelf-stigma werkt via impliciet-automatische psychologische processen en personen die impliciet zelf-stigma hebben kunnen of willen dit niet via zelfrapportages kenbaar maken. Impliciet zelf-stigma wordt gezien als een combinatie van een impliciet negatieve houding ten opzichte van psychiatrische aandoeningen én een impliciet laag gevoel van eigenwaarde, beide gemeten met de Brief Implicit Association Test (BIAT). In deze Amerikaanse studie werd bij een groep van 85 psychiatrische patiënten met verschillende diagnoses gekeken naar het verband tussen impliciet stigma, expliciet stigma en de ervaren kwaliteit van leven. Het blijkt dat zowel impliciet zelf-stigma als expliciet zelf-stigma onafhankelijk van elkaar gecorreleerd worden met een ervaren lage kwaliteit van leven. Deze correlatie is ook onafhankelijk van depressieve symptomen.
Rüsch, N., Corrigan, P. W.; Todd, A. R., Bodenhausen, G.V. (2010). Implicit Self-Stigma in People With Mental Illness. Journal of Nervous and Mental Disease 198 (2), 150-153
Trefwoord: Stigma
2009
De mate van ervaren stigma beïnvloed bij personen met schizofrenie met goed ziekte-inzicht de kwaliteit van leven
In deze cross-sectionele Nederlandse studie werd de hypothese van Lysaker (2006) nogmaals getoetst: goed ziekte-inzicht leidt bij schizofrene patiënten alleen tot slechte kwaliteit van leven en depressie als dat gepaard gaat met ervaren stigma. Er zijn drie groepen onderscheiden: 1. Weinig ziekte-inzicht (N=50); 2. Goed ziekte-inzicht + laag ervaren stigma (N= 37); 3. Goed ziekte-inzicht + hoog ervaren stigma (N=27). De volgende meetinstrumenten zijn afgenomen: de Insight Scale (IS), de Stigma Scale (SC), de Service Engagement Scale (SES), de Euro-QOL, de Self-Esteem Rating Scale-Short From (SERS-SF) en de PANSS. De groep met weinig ziekte-inzicht scoorde laag op therapietrouw, maar hoog op ervaren kwaliteit van leven en zelf-waardering. De groep met een hoog ervaren stigma scoorde significant slechter dan de anderen op negatieve zelfwaardering, depressieve gevoelens en kwaliteit van leven, maar hoger op therapietrouw. Als er gewerkt wordt aan het verhogen van ziekte-inzicht, moet zelf-stigmatisering óók worden meegenomen.
Staring, A.B.P., Van der Gaag, M., Van den Berge, M., Duivenvoorden, H.J. & Mulder, C.L. (2009). Stigma moderates the associations of insight with depressed mood, low self-esteem, and low quality of life in patients with schizophrenia spectrum disorders. Schizophrenia Research 115 (2-3), 363-369.
Trefwoord: Stigma
Duidelijk verband tussen grote mate van zelf-stigma en frequente opname in psychiatrisch ziekenhuis
In deze Amerikaanse studie werd bij een groep personen met een ernstige psychiatrische stoornis (N=75) nagegaan in hoeverre er een verband is tussen stigma (zelf-stigma, ervaren stigma, stigma afweren) en het gebruik maken van drie verschillende soorten voorzieningen over een periode van zes maanden. Het gaat om de volgende zorgvoorzieningen: 1. Psychotherapie/counseling; 2. Deelnemen aan ondersteuningsgroep van lotgenoten; 3. Opname in psychiatrische ziekenhuis. Er werd o.a. gemeten met de Self-Stigma of Mental Illness Scale, de Perceived Devaluation-Discrimination Questionnaire en de Symptom Check List-Revised. Het bleek dat gebruik van psychotherapie/counseling voorspelt wordt door afwijzen van discriminatie, dat de deelnemers aan lotgenotengroepen gekenmerkt worden door een sterke identificatie met de eigen groep en dat een grote mate van zelf-stigma voorspellende waarde heeft voor opname in een psychiatrische ziekenhuis.
Rüsch, N., Corrigan, P.W., Wassel, A., Michaels, P., Larson, J., Olschewski, M., Wilkniss, S. & Batia, K. (2009). Self-stigma, group identification, perceived legitimacy of discrimination and mental health service use. British Journal of Psychiatry 195 (6), 551-552.
Trefwoord: Stigma
Meeste personen met schizofrenie die 'hersteld' zijn blijven stigma in dagelijks leven ervaren
In deze Amerikaanse studie werden 90 stabiele schizofrene cliënten met weinig zichtbare symptomen geïnterviewd over hun subjectieve ervaring met stigma. Stigma wordt door de auteurs als een interpersoonlijk proces opgevat. Het blijkt dat 96% van de geïnterviewden stigma in hun dagelijkse leven ervaren in verschillende sociale settings. Stigma wordt ervaren in sociale relaties en binnen identiteitsdomeinen. In het domien van de sociale relaties wordt het meest stigma ervaren bij anonieme sociale interacties (47%), gevolgd door werkrelaties (36%), dating relaties (32%), familie relaties (22%), relaties met kennissen( 12%) en vriendschapsrelaties (11%). In de domeinen die te maken hebben met identiteit vonden de respondenten medicijn gebruik (44%) het meest stigmatiserend, gevolgd door populaire culturele opvattingen (24%), sekseverschillen (19%), uiterlijk (met name overgewicht) (18%) en sociale klasse en etniciteit (5%). De paradox waarin deze personen zich bevinden wordt aangeduid met 'stigma despite recovery'.
Jenkins, J H. & Carpenter-Song, E.A. (2009). Awareness of Stigma Among Persons With Schizophrenia: Marking the Contexts of Lived Experience. Journal of Nervous and Mental disease 197 (7), 520-529
Trefwoord: Stigma
Adequate reactie op stigma hangt samen met positief waarderen van eigen groep of met stigma onrechtvaardig vinden
Niet alle personen met een ernstige psychische stoornis ervaren stigma in gelijke mate. In deze Amerikaanse studie werd gekeken in hoeverre er een verband is tussen hoe deze personen (N=85) de eigen groep van psychiatrische patiënten (de ingroup) ervaren en hun reactie op stigma. De volgende ingroup percepties werden gemeten: waardering van de eigen groep, identificatie met de eigen groep, de mate waarin de ingroup als een coherente eenheid wordt gezien en de ervaren legitimiteit van discriminatie van psychiatrische patiënten. De scores werden vergeleken met die van een groep (N=50) uit de algemene bevolking. De meest functionele reacties op stigma worden geassocieerd met het hoog waarderen van de eigen ingroup van psychiatrische patiënten of met het afwijzen van openbaar stigma als onrechtvaardig.
Rüsch, N., Corrigan, P.W., Wassel, A., Michaels, P., Olschewski, M., Wilkniss, S. & Batia, K. (2009). Ingroup perception and responses to stigma among persons with mental illness. Acta Psychiatrica Scandinavica 120 (4), 320-328
Trefwoord: Stigma
Speciale psychoeducatie voor etnische minderheid kan invloed hebben op verminderen van gevoelens van stigma
In deze Amerikaanse studie wordt gekeken wat de invloed is van een speciale psychoeducatieve interventie voor ambulante zwarte cliënten (N=21) met een psychische stoornis. Een controlegroep (N=21) kreeg de bestaande brochure uitgereikt. De uitkomstmaat voor beide groepen was in eerste instantie de aanmelding voor een ggz-vervolgbehandeling. Hoewel het beoogde doel –meer zwarten in ggz-behandeling krijgen- voor beide groepen niet werd gehaald, bleek dat een subgroep van cliënten, namelijk degenen die meer behoefte aan behandeling hadden of onzeker waren over de behandeling, als gevolg van het speciale psychoeducatieve boekje minder stigma ervoeren.
Alvidrez, J., Snowden, L.R., Rao, S.M. & Boccellari, A. (2009). Psychoeducation to Address Stigma in Black Adults Referred for Mental Health Treatment: A Randomized Pilot Study. ng Older Adults with Schizophrenia: Results Using Five Conceptual Models. Community Mental Health Journal 45 (2),127-136.
Trefwoord: Stigma
Personen met schizofrenie kunnen ook succesvolle academische carrières ontwikkelen
Dit artikel is geschreven door enkele succesvolle psychiaters en psychologen die in de openbaarheid zijn getreden met hun verleden als psychiatrische patiënt met schizofrenie. Naast hun eigen visie op de factoren die van invloed zijn geweest op hun persoonlijke herstel – genoemd worden medische, functionele, subjectieve en maatschappelijke factoren -, wordt ook het herstelverhaal van andere bekende Amerikaanse GGz-onderzoekers of –hulpverleners besproken. Al deze personen zijn het er over eens dat het moeilijk is om het algemeen verspreide stigma, de vijandige houding en maatschappelijke barrières te overwinnen om herstel te bereiken. Hun levensloop maakt o.a. duidelijk dat succesvolle academische carrières ook voor personen met de diagnose schizofrenie mogelijk zijn.
Frese, F.J., Knight, E.L. & Saks, E. (2009). Recovery From Schizophrenia: With Views of Psychiatrists, Psychologists, and Others Diagnosed With This Disorder. Schizophrenia Bulletin 35 (2), 370-380.
Trefwoord: Stigma
Pleidooi voor standaard opnemen van aanleren van stigma coping strategieën in de behandeling van personen met schizofrenie
In dit korte reviewartikel worden de mogelijke consequenties van stigmatisering op het ontstaan, beloop en uitkomsten van schizofrenie besproken. Uit de literatuur komt duidelijk naar voren dat stigmatisering gezien kan worden als een wijzigbare omgevings risicofactor die op allerlei manieren invloed kan uitoefenen, zelfs in de fase waarin er nog geen sprake is van de diagnose schizofrenie. Blootgesteld worden aan stigmatiserend gedrag kan o.a. leiden tot verminderd gevoel van eigenwaarde, hogere stress en hulpvermijdingsgedrag. De auteur stelt voor om structureel aan alle personen met schizofrenie een therapie aan bieden om met allerlei vormen van stigma te leren omgaan.
Van Zelst, C. (2009). Stigmatization as an environmental risk in schizophrenia: a user perspective. Schizophrenia Bulletin 35 (2), 293-296.
Trefwoord: Stigma
Ernstig psychiatrische patiënten lopen een groot risico om slachtoffer van een crimineel delict te worden
In deze systematische review wordt de relevante literatuur over de prevalentie van het slachtofferschap van gewelds- en/of vermogensdelicten bij ernstig psychiatrische patiënten geanalyseerd. Uit het literatuuronderzoek komen negen relevante publicaties. De prevalenties van het slachtofferschap van criminaliteit lopen uiteen van 4.3% tot 35.04%. Dit betekent dat psychiatrische patiënten tussen de 2 en 140 maal meer risico lopen om slachtoffer te worden dan de doorsnee bevolking. De auteur heeft geen verklaring voor deze zeer grote variatie. Er is een duidelijk verband tussen slachtofferschap en alcohol en/of drugsgebruik, dakloosheid en ernstige psychiatrische symptomen.
Maniglio, R. (2009). Severe mental illness and criminal victimization: a systematic review. Acta Psychiatrica Scandinavica 119 (3), 180-191.
Trefwoord: Stigma
2008
Geïnternaliseerd stigma heeft negatieve invloed op uitkomst van herstelproces
In deze studie worden op een indirecte wijze twee modellen getoetst die het onderlinge verband tussen geïnternaliseerd stigma, bewustzijn van psychiatrische stoornis, psychiatrische symptomen, zelfvertrouwen, hoop en coping bij personen met schizofrenie (N=102) verklaren. Er wordt verondersteld dat geïnternaliseerd stigma bij psychiatrische problemen tot gevoelens van wanhoop en afname van zelfvertrouwen kunnen leiden, welke op hun beurt leiden tot vermijdingsgedrag en afnemende bereidheid om aan arbeidsrehabilitatietrajecten mee te werken. Gegevens werden verzameld door o.a. de volgende meetinstrumenten af te nemen: PANNS, SUMD, ISMIS, BHS, RSES en de WCQ. Het blijkt dat geïnternaliseerd stigma de uitkomsten van het herstelproces negatief kan beïnvloeden.
Yanos, P.T., Roe, D., Markus, K. & Lysaker, P.H. (2008). Pathways between internalized stigma and outcomes related to recovery in schizophrenia spectrum disorders. Psychiatric Services 59 (12), 1437-1442.
Trefwoord:Stigma
Persoonlijk anti-stigma programma heeft positief effect op houding ten opzichte van specifieke stoornissen
In deze Amerikaanse studie wordt het effect van het In Our Own Voice (IOOV) anti-stigma programma vergeleken met dat van psychoeducatie. IOOV wordt door goed getrainde (ex-) psychiatrische patiënten uitgevoerd. In dit geval kregen twee groepen psychologiestudenten (N=43) beurtelings eerst een IOOV-presentatie door twee personen met een bipolaire stoornis, enige dagen later gevolgd door een psychoeducatieve presentatie door een docent, en vice versa. In tegenstelling tot de psychoeducatie leidt de IOOV presentatie tot significant afnemend stigma ten opzichte van bipolaire stoornis en unipolaire depressie en psychiatrische stoornissen in het algemeen. De houding ten opzichte van schizofrenie bleef echter hetzelfde. Het lijkt erop dat de antistigma programma’s en psychoeducatie een stoornis-specifiek effect hebben.
Rusch, L.C., Kanter, J.W., Angelone, A.F. & Ridley, R.C. (2008). The impact of In Our Own Voice on stigma. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 11 (4), 373-389.
Trefwoorden: Stigma
GGz-hulpverleners hebben impliciet en expliciet een positievere houding ten opzichte van psychiatrische patiënten dan anderen
Van de volgende vier groepen (N-totaal=1539) werden de impliciete en de expliciete mate van vooroordeel ten opzichte van psychiatrische patiënten gemeten: 1. GGz-hulpverleners; 2. andere hulpverleners; 3. studenten; 4. algemene publiek. Een belangrijk doel van deze studie was om zicht te krijgen op de invloed van stigma op de klinische besluitvorming. Het impliciete vooroordeel wordt gemeten met de Implicit Association Test (IAT). Het blijkt dat de GGz-hulpverleners zowel impliciet als expliciet een positiever oordeel vellen over psychiatrische patiënten. Hulpverleners met een expliciet vooroordeel hebben een negatiever oordeel over de prognose van de patiënten, terwijl degenen met een impliciet vooroordeel geneigd zijn tot over-diagnostiek.
Peris, T.S., Teachman, B.A. & Nosek, B.A. (2008). Implicit and explicit stigma of mental illness: links to clinical care. Journal of Nervous and Mental Disease 196 (10), 752-760.
Trefwoorden: Stigma
Stigmatiserende houding houdt vooral verband met toeschrijven van zwak karakter
In deze Australische studie (N=3998) werd de hypothese van Read getoetst. Deze stelt dat de sociale afstand en het toedichten van gevaar aan mensen met schizofrenie door het algemene publiek toeneemt als biogenetische factoren als oorzaak van psychiatrische stoornissen in de voorlichting worden gecommuniceerd. De these van Read werd door deze vignetstudie niet bevestigd. Het enige causale verband geassocieerd met sociale afstand houden was het geloof in een zwak karakter als oorzaak van de stoornis. Hoewel er een verband werd gevonden tussen biogenetische oorzaken en het als gevaarlijk benoemen van schizofrene mensen, was het verband tussen als gevaarlijk beoordelen en het toedichten van een zwak karakter groter. Waarschijnlijk worden labels als ‘schizofrenie’ en ‘psychische stoonis’ in verschillende landen en in verschillende periodes anders beoordeeld.
Jorm, A.F. & Griffiths, K.M. (2008). The public’s stigmatizing attitudes towards people with mental disorders: how important are biomedical conceptualizations? Acta Psychiatrica Scandinavica 118 (4), 315-321.
Trefwoord: Stigma
Bij anti-stigma campagnes is invloed van de verschillende causale verklaringsmodellen divers
In deze Duitse studie wordt de invloed van voorlichtingscampagnes op de houding ten aanzien van schizofrene personen gemeten door verschillende psycho-educatieve interventies ten aanzien van de etiologie van schizofrenie bij medische (N=60) en psychologie (N=61) studenten aan te bieden. De studenten werden over drie groepen verdeeld: één groep kreeg voorlichting over schizofrenie waarbij vooral de biogenetische verklaringen (BG) voor schizofrenie werden benadrukt, bij de tweede groep werd vooral nadruk gelegd op psychosociale factoren (PS), de derde groep was de controlegroep. Het blijkt dat de verschillende voorlichtingsstrategieën tot een afname van verschillende componenten van de stereoptypering kunnen leiden en dat de invloed ook per doelgroep verschilt.
Lincoln, T.M., Arens, E., Berger, C. & Rief, W. (2008). Can antistigma campaigns be improved? A test of the impact of biogenetic vs psychosocial causal explanations on implicit and explicit attitudes to schizophrenia. Schizophrenia Bulletin 34 (5), 984-994.
Trefwoord: Stigma
Mate van zelf-stigma heeft invloed op blijven volgen van psychosociale behandeling
Chinese empirische studie naar de samenhang tussen trouw blijven aan de psychosociale behandeling en zelf-stigma bij personen met schizofrenie (N=86). Onder psychosociale behandeling wordt verstaan: gezinsinterventie, supported employment en sociale vaardigheidstraining. De volgende factoren voorspellen een vroegtijdig afhaken van de cliënten: hoog niveau van zelf-stigma, gering inzicht in de sociale consequenties van de psychische stoornis en samen met anderen leven. Een mogelijke reden is dat personen met een hoge mate van zelf-stigma verdere discriminatie willen vermijden door niet langer gebruik te maken van psychiatrische voorzieningen.
Fung, K.M.T., Tsang, H.W.H & Corrigan, P.W. (2008). Self-stigma of people with schizophrenia as predictor of their adherence to psychosocial treatment. Psychiatric Rehabilitation Journal 32 (2), 95-104.
Trefwoord: Stigma
De Attribution Questionnaire meet op een betrouwbare manier stigma ten opzichte van psychiatrische patiënten
Doel van deze studie was een verdere evaluatie van de psychometrische eigenschappen van de Attribution Questionnaire (AQ), die stigmatiserende houding ten aanzien van psychische stoornissen meet. De AQ werd bij 774 Amerikaanse studenten afgenomen. Het blijkt dat vier van de zes factorschalen acceptabele interne consistentie, betrouwbaarheid en convergente validiteit bezitten: Fear/Dangerousness, Help/Interact, Forcing Treatment en Negative Emotions.
Brown, S.A. (2008). Factors and measurement of mental illness stigma: a psychometric examination of the Attribution Questionnaire. Psychiatric Rehabilitation Journal 32 (2), 89-94.
Trefwoord: Stigma
Lotgenotencontact heeft wisselende invloed op gevoel van eigenwaarde, afhankelijk van ervaren stigma
In deze Belgische studie wordt bij een groep (N=595) chronische GGz-cliënten die ambulante voorzieningen bezoeken de hypothese getoetst dat contact met lotgenoten een verzachtende werking heeft de negatieve band tussen stigma en self-esteem, dus dat lotgenotenconctact òf het gevoel van eigenwaarde doet groeien, òf het ervaren stigma doet afnemen. Het blijkt dat lotgenotencontact alleen bij cliënten met weinig stigma ervaringen een positieve invloed heeft. Voor cliënten met veel stigma ervaringen betekent omgang met lotgenoten een bevestiging van het stigma en leidt het niet tot vergroting van het gevoel van eigenwaarde.
Verhaeghe, M., Bracke, P & Bruynooghe, K. (2008). Stigmatization and self-esteem of persons in recovery from mental illness: the role of peer support. International Journal of Social Psychiatry 54 93), 206-218.
Trefwoord: Stigma
Personen met ernstige psychiatrische stoornis zijn meer dan gemiddeld dader én slachtoffer van geweldsdelicten
In deze review worden Amerikaanse empirische studies geanalyseerd over de incidentie en prevalentie van geweldsdelicten gepleegd door psychiatrische patiënten én hoe vaak dezelfde doelgroep slachtoffer van geweld wordt. Het blijkt dat psychiatrische patiënten bijna vier keer zo vaak dader van geweldsdelicten zijn dan personen zonder een psychische stoornis. Terwijl zo’n 3% van de Amerikaanse bevolking slachtoffer van een gewelddelict wordt, geldt dit voor 25% van de psychiatrische patiënten. Slechts 2% van al het geweld kan worden toegerekend aan psychische stoornissen. De auteurs bepleiten meer aandacht voor het feit dat psychiatrische patiënten zo vaak geweldsslachtoffer zijn.
Choe, J.Y., Teplin, L.A., & Abram, K.M. (2008). Perpetration of violence, violent victimization, and severe mental illness: balancing public health concerns. Psychiatric Services 59 (2), 153-164.
Trefwoord: stigma
Bij een studentenpopulatie blijkt waargenomen stigma weinig invloed te hebben op het hulpzoekgedrag
Uit de literatuur komt naar voren dat bij anderen waargenomen stigma ten aanzien mensen met psychische stoornissen een barrière kan vormen voor mensen met psychische problemen om hulp te zoeken. In deze survey werd bij een groep universitaire studenten (N=2782) het waargenomen stigma met de Stigma Scale for Receiving Psychological Help gemeten. Ook de behoefte aan hulp en de aanwezigheid van psychische stoornissen werd gemeten. Waargenomen stigma was relatief hoger bij mannen, oudere studenten, Aziaten, studenten met lagere sociaaleconomische status en studenten met psychische problemen. Toch blijkt het stigma, in ieder geval in de onderzochte studentenpopulatie, geen belemmering te vormen voor het zoeken van hulp.
Golberstein, E., Eisenberg, D. & Gollust, S.E. (2008). Perceived stigma and mental health care seeking. Psychiatric Services 59 (4), 392-399.
Trefwoord: stigma
Mate en vorm van stigma bij Australische adolescenten beïnvloed door de houding van ouders
Om invloeden op het ontstaan van stigma ten aanzien van leeftijdsgenoten te meten werd via een telefonisch interview met jongeren van 12 tot 25 jaar en één van hun ouders een vignet over een jongere met een psychische stoornis voorgelegd (N=3746). Er waren vier vignetten: depressie, depressie met alcoholmisbruik, sociale fobie en psychose. Het blijkt dat stigma multidimensionaal is en kan bestaan uit ‘sociale afstand’, ‘gevaarlijk/onvoorspelbaar’, ‘zwak niet ziek’ en ‘stigma bij anderen waargenomen’. Omdat er een duidelijke correlatie werd gevonden tussen de opvattingen van ouders en hun kinderen, lijkt het van belang om anti-stigmacampagnes óók expliciet op de ouders te richten.
Jorm, A.F. & Wright, A. (2008). Influences on young people’s stigmatising attitudes towards peers with mental disorders: national survey of young Australians and their parents. British Journal of Psychiatry, 192 (2), 144-149.
Trefwoord: stigma
2007
Zelf-stigma heeft waarschijnlijk weinig verband met groepsidentificatie en waargenomen legitimiteit
In dit artikel wordt verslag gedaan van een test (N=71) van een hiërarchisch theoretisch model ter verklaring van het proces van zelf-stigma. De auteurs gaan er van uit dat zelf-stigma en empowerment polen van één continuüm zijn. Het model suggereert dat het proces van zelf-stigma begint bij groepsidentificatie (GI) en waargenomen legitimiteit (PL) van de vooroordelen ten aanzien van personen met een psychische stoornis. Vervolgens passen ze de stereotypen op zichzelf toe en ervaren verminderd zelfvertrouwen en self efficacy. Het blijkt dat PL wel en GI niet samenhangt met stereotype bewustzijn, maar dat er geen significant verband is met zelfvertrouwen.
Watson, A.C., Corrigan, P., Larson, J.E. & Sells, M. (2007). Self-Stigma in People With Mental Illness. Schizophrenia Bulletin 33 (6), 1312-1318
Stigmatiseren van personen met psychiatrische stoornissen afhankelijk van geslacht, etniciteit en opleiding
In deze studie wil men in kaart brengen in hoeverre de achtergronden van de personen die mensen met een psychiatrische stoornis of een middelenverslaving stigmatiseren van invloed zijn op hun stigma. Hiertoe werd een representatieve steekproef (N=968) van de Amerikaanse bevolking een vignet voorgelegd met een beschrijving van een gezondheidsprobleem van een persoon (schizofrenie, drugsverslaving of longemfyseem) en één van zijn/haar familieleden. Het blijkt dat vrouwen, personen met een hogere opleiding en blanken minder stigmatiseren dan mannen, lager opgeleiden en zwarten.
Corrigan, P.W. & Watson, A.C. (2007). The stigma of psychiatric disorders and the gender, ethnicity, and education of the perceiver. Community Mental Health Journal, 43 (5), 439-458.
Stigmatisering van mensen met psychiatrische stoornissen door kinderen niet helemaal te vergelijken met ontstaan van andere vooroordelen
In deze theoretische verhandeling wordt bekeken in hoeverre de sociaal-cognitieve processen die bij kinderen tot etnische vooroordelen en stereotypering leiden, ons begrip over het stigmatiseren door kinderen van psychische stoornissen kan verhelderen. Ook wordt de literatuur over stigmaverandering samengevat en bekeken welke strategieën die lijken te werken om discriminatie bij kinderen te verminderen ook kunnen worden toegepast in anti-stigma programma’s ten aanzien psychische stoornissen. Etnische voordelen zijn bij kinderen van vijf groter dan bij kinderen van drie en zeven jaar. Stigmatisering van psychiatrische patiënten ontstaan pas later.
Corrigan, P.W. & Watson, A.C. (2007). How children stigmatize people with mental illness. International Journal of Social Psychiatry 53 (6), 526-546.
Stigma verminderd na het zien van een film met persoonlijk verhaal
Met de Attribution Questionnaire (AQ) kunnen negen dimensies worden gemeten die samenhangen met stigma ten aanzien van psychiatrische stoornissen. In deze studie kreeg één groep een film te zien waarop mythes ten opzichte van psychiatrische stoornissen werden ontkracht (educatie), en een andere groep kreeg een film te zien waarop dezelfde persoon verslag doet van zijn leven met een stoornis (N=244). De AQ werd van te voren en één week na de vertoning afgenomen Bij de laatstgenoemde groep nam het stigma significant af op vier dimensies. Bij de eerste groep slechts op één dimensie.
Corrigan, P.W., Larson, J., Sells, M., Niessen, N., & Watson, A.C. (2007). Will filmed presentations of education and contact diminish mental illness stigma? Community Mental Health Journal 43 (3), 171-181.
GGz-hulpverleners verschillen onderling in hun houding ten aanzien van sociale integratie van psychiatrische patiënten
Dit artikel is een verslag van een Amerikaans onderzoek naar de opvattingen van verschillende categorieën ggz-hulpverleners (N=27) over de mogelijkheden voor mensen met ernstige psychiatrische problemen om maatschappelijk te integreren. Het gaat om medewerkers van extramurale, residentiële en maatschappelijk ondersteunende voorzieningen. Het blijkt dat de hulpverleners van de extramurale psychiatrische klinieken beduidend negatiever staan ten opzichte van maatschappelijke integratie van ernstig psychiatrisch gehandicapten dan de andere twee groepen. Mogelijke verklaring hiervoor is dat eerst genoemden vanuit het medisch model werken.
Moldovan, V. (2007). Attitudes of mental health workers toward community integration of the persons with serious and persistent mental illness. American Journal of Psychiatric Rehabilitation 10 (1), 19-30.
Sociale afstand ten opzichte van mensen met schizofrenie verschilt per maatschappelijke groep
In deze Oostenrijkse studie worden de verschillen in houding tot en sociale afstand van mensen met schizofrenie gemeten bij representatieve groepen van het algemene publiek, verwanten van psychiatrische patiënten en ggz-professionals. Het blijkt dat het algemene publiek een meer pessimistisch oordeel heeft over alle aspecten van schizofrenie dan de andere groepen. Sociale afstand wordt het meeste bepaald door veronderstelde gevaarlijkheid en het algemene publiek scoort op deze maat beduidend hoger dan de andere groepen.
Grausgruber, A., Meise, U., Katschnig, H., Schöny, W. & Fleischhacker, W.W. (2007). Patterns of social distance toward people suffering from schizophrenia in Austria: a comparison between the general public, relatives and mental health staff. Acta Psychiatrica Scandinavica, 115 (4), 310-319.
Stigma met betrekking tot kinderen met ggz-problemen anders dan bij volwassenen
Themagedeelte met vier onderzoeksverslagen en een inleiding over de eerste in de VS gehouden nationale stigma studie naar kinderen (de NSS-C) met psychische problemen. Aan een representatieve steekproef van de Amerikaanse bevolking werden vier vignetten voorgelegd. In de eerste bijdrage wordt besproken hoe men aankijkt tegen kinderen die een vorm van ggz-behandeling krijgen. In de tweede bijdrage wordt ingegaan op hoe gevaarlijk het publiek kinderen met psychische problemen vindt. Het volgende artikel behandelt de publieke opvattingen over kinderen met ADHD, terwijl in de laatste bijdrage een vergelijking wordt gemaakt van het stigma van depresieve kinderen ten opzichte van depressieve volwassenen.
Pescosolido, B.A., Perry, B.L., Fettes, D.L., McLeod, J.D. et al (2007).Special section on the National Stigma Study-Children. Psychiatric Services 58 (5), 611-635.
Nieuwe definitie van sociale integratie legt nadruk op verbondenheid en burgerschap
Om de sociale uitsluiting van mensen met psychiatrische problemen te lijf te gaan is er behoefte aan een nieuwe invulling van het concept sociale integratie. De bouwstenen hiervoor werden uit enkele kwalitatieve studies gehaald. In de nieuwe omschrijving wordt sociale integratie beschouwd als een proces waarin de psychiatrisch gehandicapten hun competenties voor verbondenheid en burgerschap ontwikkelen. Verbondenheid wordt omschreven als het aangaan en onderhouden van wederkerige interpersoonlijke relaties. Burgerschap verwijst naar de rechten en plichten van de leden van een democratische samenleving.
Ware, N.C., Hopper, K., Tugenberg, T., Dickey, B. & Fisher, D. (2007). Connectedness and citizenship: redefining social integration. Psychiatric Services 58 (4), 469-474.
Nieuwe betrouwbare Stigma Schaal meet ervaren stigma
In deze Britse studie wordt verslag gedaan van de ontwikkeling van een meetinstrument om stigma te meten: de Stigma Schaal. In eerste instantie werd een lijst met 42 items opgesteld die door 192 personen, die gebruik maken van de GGZ, werden gescoord. Dit leidde tot een schaal met 28 items waarin drie onderwerpen worden gemeten: discriminatie, onthulling over de psychische stoornis, en potentieel positieve aspecten van de stoornis. Personen met een hoge score op de Stigma Schaal blijken een laag gevoel van eigenwaarde te hebben, zoals gemeten met de Rosenberg Self-Esteem Scale.
King, M., Dinos, S., Shaw, J., Watson, R., Stevens, S., Passetti, F., Weich, S. & Serfaty, M. (2007). The Stigma Scale: development of a standardised measure of the stigma of mental illness. British Journal of Psychiatry 190(3), 248-254.
Verband tussen ervaren discriminatie en psychische stress bij algemene bevolking
In deze Zweedse survey (N=33.000) wordt de hypothese getoetst dat er een verband zou zijn tussen het ervaren van discriminatie en het toenemen van psychische stress en dat deze associatie voor een groot deel door sociaal-economische achterstand kan worden verklaard. Er blijkt een duidelijk toename van de stress als men zich vaker gediscrimineerd voelt en de sociaal-economische positie verklaard 25 percent van de associatie.
Wamala, S., Boström, G. & Nyqvist, K. (2007). Perceived discrimination and psychological distress in Sweden. British Journal of Psychiatry 190(1), 75-76.
Personen met een ernstige psychische stoornis willen vooral een normaal leven
In deze kwalitatieve Canadese studie wordt de constructie van het kwaliteit-van-leven concept vanuit het perspectief van de cliënten (N=53) zelf in kaart gebracht. Kwaliteit van leven blijkt voor personen met een ernstige psychische stoornis een persoonlijke ervaring waarin vooral gestreefd wordt naar psychische en fysieke gezondheid, ondersteunende relaties, zinvolle bezigheden en een positief zelfbeeld. Voor de cliënten valt een goede kwaliteiti van leven samen met het hebben van een ‘normaal’ leven. Ervaren stigma en angst voor positieve symptomen hebben grote invloed op de ervaren kwaliteit van leven.
Corring, D.J. & Cook, J.V. (2007). Use of qualitative methods to explore the Quality-of-Life construct from a consumer perspective. Psychiatric Services 58(2), 240-244.
2006
Hoge mate van zelf-stigma én ziekte-inzicht kan leiden tot geringe zelfwaardering
In deze studie wordt de hypothese getoetst dat de effecten van ziekte-inzicht (zelfreflectie) bij personen met schizofrenie (N=75) op gevoelens van zelfwaardering, hoop en sociaal functioneren sterk worden beïnvloed door de mate waarin die personen stigmatiserende opvattingen over hun ziekte hebben geïnternaliseerd. De onderzoekers vonden drie groepen: laag inzicht/weinig stigma; veel inzicht/minimaal stigma; hoog inzicht/gemiddeld stigma. De 'veel inzicht/minimaal stigma-groep' blijkt sociaal het beste te functioneren van de drie en meer hoop en zelfwaardering te hebben dan de ' veel inzicht/minimaal stigma-groep'.
Lysaker, P.H., Roe, D & Yanos, P.T. (2006). Toward understanding the insight paradox: internalized stigma moderates the association between insight and social functioning, hope, and self-esteem among people with schizophrenia spectrum disorders. Schizophrenia Bulletin 33(1), 192-199.
Ziekte-inzicht hangt samen met het kiezen voor verstandige strategieën bij discriminatie
In deze vignet studie worden aan een groep mensen met een psychische stoornis (N=100) gevallen van discriminatie in verband met werk of wonen voorgelegd en de door hen gekozen oplossingen genoteerd. De eerste spontane reactie wijkt beduidend af van een tweede overdachte reactie. Het blijkt dat het kiezen voor meerdere beproefde oplossingen, zoals het gaan omzien naar een andere baan of woning of het geval met vrienden bespreken, direct samenhangt met het hebben van ziekte-inzicht. Persoonlijke empowerment heeft geen verband met kiezen van verstandige oplossingen voor ervaren discriminatie.
Corrigan, P.W., Larson, J.E., Watson, A.C., Boyle, M. &, Barr, L. (2006). Solutions to discrimination in work and housing identified by people with mental illness. Journal of Nervous and Mental Disease (194) 9, 716-718.
Groepsinterventie effectief voor behoud gezond zelfbeeld bij mensen met schizofrenie
De eerste schizofrene episode heeft vaak ook gevolgen voor het zelfbeeld. Als dit zelfbeeld in grote mate bepaald gaat worden door de ziekte, spreekt men van engulfment. Ter voorkoming van ongewenste engulfment is er een groepsinterventie ontwikkeld die snel na de eerste diagnose bij jongvolwassenen kan worden aangeboden. In deze bijdrage wordt gerapporteerd over de eerste evaluatie van deze interventie. De leden van de interventiegroep blijken een significant beter zelfbeeld te hebben en minder overspoeld te zijn door de effecten van de ziekte dan de leden van de controlegroep.
McCay, E., Beanlands, H., Leszcz, M., Goering, P., Seeman, M.V, Ryan, K., Johnston, N. & Vishnevsky, T. (2006). A group intervention to promote healthy self-concepts and guide recovery in first episode schizophrenia: a pilot study. Psychiatric Rehabilitation Journal (30) 2, 105-111.
Moeilijk bereikbare dubbele diagnose cliënten ook slachtoffer sociale uitsluiting
Dit is een van de eerste onderzoeken naar de cliënten van Assertive Outreach (AO) in Londen. De prevalentie van middelenmisbruik onder de totale groep AO-cliënten blijkt relatief laag te zijn (29%). Deze specifieke analyse brengt wel een aparte dubbele diagnose subgroep aan het licht die leidt aan sociale uitsluiting en forensische problemen. Deze cliënten worden vaker gedwongen opgenomen dan de gemiddelde AO-cliënt.
Fakhoury, W.K.H., Priebe,S. & PLAO Study Group (2006). An unholy alliance: substance absuse and social exclusion among assertive outreach patients. Acta Psychiatrica Scandinavica 114, 124-131
Psychiaters hebben meer negatieve stereotype associaties over psychiatrische patiënten dan doorsnee bevolking
In dit onderzoek wordt gekeken naar de kennis over psychische problemen en de houding ten opzichte van psychiatrische patiënten bij een groep GGZ-hulpverlenrs (N=1073) én een representatieve groep uit de bevolking (N=1737). Opmerkelijk is dat de psychiaters meer negatieve sterotypen hebben dan het gewone volk en dat de mate van sociale afstand ten opzichte van mensen met een depressie of schizofrenie bij beide groepen gelijk was. Meer kennis over psychische problemen lijkt geen invloed te hebben op stereotypering.
Nordt,C., Rössler,W., & Lauber,C. (2006). Attitudes of mental health professionals toward people with schizophrenia and major depression. Schizophrenia Bulletin (32) 4, 709-714.
Benadrukken biogenetsich verklaringsmodel voor schizofrenie contraproductief voor anti-stigmaprogramma’s
In deze review wordt de effectiviteit van de ‘psychische stoornis is een ziekte zoals elke ander ziekte’-benadering geëvalueerd. De laatste jaren worden de anti-stigma-programma’s internationaal onderbouwd met de boodschap dat psychische stoornissen primair een biogenetische oorzaak hebben. Dit zou tot minder discriminatie moeten leiden. Uit deze review blijkt dat eerder het omgekerde het geval is: men denkt dat als schizofrenie een hersenziekte is, dan heeft de patiënt geen controle over zijn gedrag en deze wordt eerder als onbetrouwbaar en gevaarlijk gekarakteriseerd.
Read, J., Haslam, N., Sayce, L. & Daviews, E., (2006). Prejudice and schizophrenia: a review of the ‘mental illness is an illness like any other’ approach. Acta Psychiatrica Scandinavica (114) 4, 303-318.
Mogelijk verband tussen hogere mate van cognitief inzicht en zelf-stigma bij personen met schizofrenie
In deze studie uit Hong Kong wordt gekeken naar het verband tussen enerzijds cognitief inzicht (zelfreflectie en ziekte-inzicht) en het zichzelf medeverantwoordelijk achten voor de ziekte en anderzijds zelf-stigma. De onderzochte groep bestaat uit 165 personen met de diagnose schizofrenie. Het blijkt dat personen die meer cognitief inzicht hebben en zichzelf schuld voor hun ziekte toedichten een hogere mate van zelf-stigma hebben. Personen met meer inzicht zijn over het algemeen meer bereid om aan hun behandeling mee te werken, maar omdat ze ook eerder zelf-stigma ontwikkelen kunnen ze hun eigen herstel in de weg staan.
Mak, W.W.S. & Wu, C.F.M. (2006). Cognitive insight and causal attribution in the development of self-stigma among individuals with schizophrenia. Psychiatric Services 57 (12), 1800-1802
Zelf-stigma lijkt integraal onderdeel van ernstige psychische stoornis
In deze Duitse studie wordt op de eerste plaats gekeken hoe zelf-stigma gemeten kan worden en hoe het zich verhoudt tot zelfwaardering, kwaliteit van leven, schaamte en psychopathologie. Ten tweede wordt de mate van zelf-stigma en zelfwaardering bij een groep vrouwen met een Borderline Persoonlijkheidsstoornis (BPS) vergeleken met die bij een groep vrouwen met sociale fobie. Zelf-stimga kan betrouwbaar gemeten worden met Self-Stigma of Mental Illness Scale (SSMIS). Zelf-stigma blijkt samen te hangen met lage zelfwaardering en verminderd de kwaliteit van leven. De vrouwen met BPS hebben meer zelf-stigma dan de groep met sociale fobie. De auteurs roepen de hulpverleners op zich bewust te blijven van de angst voor stigma en het ontwikkelen van zelf-stigma bij mensen met een psychische stoornis.
Rüsch, N., Hölzer, A., Hermann, C., Schramm, E., Jacob, G.A., Bohus, M., Lieb, K. & Corrigan, P.W. (2006). Self-stigma in women with Borderline Personality Disorder and women with Social Phobia. Journal of Nervous and Mental Disease 194 (10), 766-773
Amerikaans anti-stigma programma blijkt effectief
De effecten van het door de NAMI ontwikkelde anti-stigma programma ‘In Our Own Voice: Living with Mental Illness’ (IOOV) werden op een gedegen wijze gemeten door te werken met een experimentele en een controle groep en door voor- en nametingen te verrichten. Het blijkt dat de leden van de groep die de echte IOOV-presentatie hadden gekregen, na die presentatie significant beter scoorden op de uitkomstmaten kennis, houding ten opzichte van mensen met een psychiatrische stoornis en sociale afstand dan de controle groep.
Wood, A.L. & Wahl, O. (2006).
Evaluating the effectiveness of a consumer-provided mental health recovery education presentation.
Psychiatric Rehabilitation Journal (30) 1, 46-53.
Raciale verschillen in stigmatiseren van personen met psychische stoornissen
In dit Amerikaanse onderzoek wordt met behulp van de vignet-methode bekeken of Afro-Amerkanen (N=81) anders aankijken tegen mensen met schizofrenie of ernstige depressie dan blanken (N=590). In vergelijking met de blanken denken de Afro-Amerikanen in meerdere mate dat personen met psychische stoornissen gewelddadig zijn. In tegenstelling tot de blanken denkt een groot deel van de Afro-Amerikanen dat deze personen niet schuldig zijn aan dit gedrag en hiervoor niet gestraft zouden moeten worden.
Anglin, D.M., Link, B.G. & Phelan, J.C. (2006).
Racial differences in stigmatizing attitudes toward people with mental illness.
Psychiatric Services 57 (5), p. 857-862
Geloof in biogenetische oorzaak van psychische stoornissen resulteert in grotere sociale afstand
In dit representatieve, Duitse bevolkingsonderzoek (N=5025) wordt de respondenten een vignet voorgelegd met een psychiatrische casus (iemand met schizofrenie of ernstige depressie). Vervolgens wordt hen gevraagd wat volgens hen de oorzaak van de psychische stoornis is, hoe gevaarlijk de persoon wordt ingeschat en hoe ver men hem op afstand wil houden. Het blijkt dat hoe meer men de psychische stoornis als een hersenziekte ziet, hoe gevaarlijker de persoon wordt beschouwd, des te meer men hem op afstand wil houden. Het biogenetische verklaringsmodel voor psychische stoornissen lijkt stigmatiserend te werken.
Dietrich, S., Matschinger, H. & Angermeyer, M.C. (2006)
The relationship between biogeneitc causal explanations and social distance toward people with mental disorders: results from a population survey in Germany.
International Journal of Social Psychiatry, 52 (2) 166-174.
Sociale factoren kunnen herstelproces zowel positief als negatief beïnvloeden
Dit artikel is één van de verslagen van de mulitnationale studie naar het herstelproces. In deze bijdrage wordt ingegaan op hoe mensen die van een psychose herstellen hun maatschappelijke rollen ontwikkelen en accepteren en waar dit proces plaats vindt. De geïnterviewden zien hun rol als psychiatrische patiënt als een barrière voor sociale aanpassing. Vaak wordt stigma ervaren en dit kan leiden tot zelf-stigmatisering. Om van het stigma af te komen zijn inspraak in eigen behandeling en andere vormen van eigen belangenbehartiging cruciaal. Daarnaast kan deelname aan werk, clubs, dagcentra internet-communities e.d. het gevoel van sociale integratie –en de-stigmatisering- bevorderen.
Mezzina, R., Borg, M., Marin, I., Sells, D., Topor, A. & Davidson, L. (2006). From participation to citizenship: how to regain a role, a status, and a life in the process of recovery. American Journal of Psychiatric Rehabilitation, 9, 39-61
Gestigmatiseerde personen met psychische stoornissen krijgen minder loon
Amerikaans onderzoek toont aan dat personen met een ernstige psychische stoornis die zeggen in hun werk gediscrimineerd te worden, significant minder verdienen dan personen met eenzelfde stoornis die géén stigma op de werkvloer ervaren én dan personen zonder psychische stoornissen. In het onderzoek worden werknemers met stemmings-, angst- en psychotische stoornissen vergeleken met werknemers zonder psychische stoornissen. De data zijn ontleend aan de National Health Interview Survey- Disability Supplement uit 1994-1995. Het ervaren stigma is vastgesteld door middel van vragen als: Is u vanwege een gezondheidsconditie ooit een baan, of promotie, of toestemming om een training te volgen e.d. geweigerd? Opmerkelijk is dat er geen significante verschillen in beloning zijn gevonden tussen personen met ernstige psychische problemen die geen stigma ervaren en mensen zonder psychische stoornissen. De auteurs hebben een mogelijke verklaring voor de gevonden verschillen: de personen met een ervaren stigma hebben meer zichtbare functionele beperkingen dan de andere groepen.
Baldwin, M.L. en Marcus,S.C. (2006).
Perceived and Measured Stigma Among Workers With Serious Mental Illness.
Psychiatric Services 57 (3), p. 388-392.
Stigma ten aanzien van mensen met een psychiatrische stoornis is hardnekkig
In deze review worden de resultaten van 33 nationale en 29 locale studies –verschenen in de periode 1990-2004- naar gangbare opvattingen over en houdingen ten opzichte van personen met een psychiatrische ziekte op een rijtje gezet. De meeste bevolkingsstudies over dit onderwerp zijn beschrijvende studies, terwijl er meer behoefte is aan trendanalyses, cross-culturele studies en studies die theoretische modellen testen. De studies naar de gangbare houdingen richten zich vooral op schizofrenie en depressie. De meeste mensen kunnen specifieke psychische stoornissen niet herkennen. Hoewel de meerderheid vindt dat mensen met een psychische stoornis geholpen moeten worden, vindt een aanzienlijke minderheid hen onvoorspelbaar en gevaarlijk. De evaluaties van gerichte anti-stigma interventies laten een wisselend beeld zien: het beter informeren van mensen leidt niet automatisch tot een verandering in hun houding. Voor alle studies in deze review geldt dat het verband tussen opvattingen en concreet gedrag niet is onderzocht.
Angermeyer, M.C. en Dietrich,S. (2006).
Public beliefs about and attitudes towards people with mental illness: a review of population studies.
Acta Psychiatrica Scandinavica 113 (3), p. 163-179
Kleine ondernemers vaak niet bereid om mensen met psychiatrische achtergrond in dienst te nemen
In dit Canadese onderzoek worden de denkbeelden van 58 kleine werkgevers (bedrijven tot 49 werknemers) in kaart gebracht ten aanzien van het eventueel in dienst nemen van personen met een psychiatrische stoornis. De gegevens zijn verzameld door middel van interviews en vragenlijsten. Het blijkt dat de werkgevers zich het meeste zorgen maken over de sociale en emotionele vaardigheden van psychiatrische cliënten. Werkgevers die een positieve opvatting over psychiatrische cliënten hebben, leggen ook een grotere bereidheid aan de dag om zulke personen in dienst te nemen. Het grootste deel van de onderzochte werkgevers heeft twijfels om mensen met een psychiatrische achtergrond in dienst te nemen. Deze opvattingen komen volgens de auteurs voort uit collectieve stigmatiserende opvattingen. Er worden methoden besproken om het stigma te doen afnemen.
Hand,C. en Tryssenaar,J. (2006). Small Bussiness Employers’ Views on Hiring Individuals with Mental Illness. Psychiatric Rehabilitation Journal 29 (3),p. 166-173
Laatst aangepast (woensdag 25 april 2012 11:17)
Signaleringen

