|
Versie 29 november 2007
Geschreven door: Judith Hasker Kenniscentrum Rehabilitatie
Met medewerking van: Ines van Rooijen Symfora groep Spencer Zeegers GGZ Oost Brabant
Vormgeving pdf: Petra Klabbers Kenniscentrum Rehabilitatie
|
| |
NOTITIE ‘WERKEN MET DE WMO’
Praktische tips op basis van ervaringen
INLEIDING
HET WMO BELEIDSKADER
GEVOLGEN VOOR DE GGZ-INSTELLINGEN
DO’S EN DONT’TS
DE NEGEN PRESTATIEVELDEN
COLOFON
INLEIDING
De financiële middelen voor activiteiten op het gebied van vermaatschappelijking zijn overgegaan naar de gemeenten op basis van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Instellingen moeten met de gemeente onderhandelen om de continuïteit van projecten te waarborgen. Elke instelling doet dit op haar eigen manier, afhankelijk van de wijze waarop de organisatie is ingericht, de gemeentelijke of regionale situatie.
Deze notitie is bedoeld voor preventiewerkers, managers en beleidsmakers in GGZ-instellingen. Zij bevat ‘do’s en don’ts’ in het kader van gesprekken met de gemeente en andere partijen die nu aan de maatschappelijke ondersteuning vorm moeten geven.
Eerst volgt een inleiding over de Wmo en een aantal pagina’s over haar gevolgen voor GGZ-instellingen. Hier en daar hebben we een beschrijving van de stand van zaken in de praktijk toegevoegd. Hieruit kan men concluderen dat als het gaat om het regelen van financiering en de vraag wie binnen de instelling ‘de Wmo’ in zijn of haar portefeuille heeft, allerlei variaties zichtbaar zijn.
Hierna volgen tips voor gesprekken met de gemeente en andere partijen in het werkveld.
Tot slot worden de zogeheten negen prestatievelden in de Wmo toegelicht. Per prestatieveld zijn concrete voorbeelden genoemd van projecten op het gebied van preventie, ondersteuning en voorlichting die al gedaan worden. Deze projecten bevorderen door inhoud en uitwerking de vermaatschappelijking.
HET WMO-BELEIDSKADER
De Wet maatschappelijke ondersteuning
De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 in werking getreden. Zij vervangt een aantal wetten en onderdelen van wetten (Wet Voorzieningen Gehandicapten, de Welzijnswet, enkele onderdelen uit de AWBZ, waaronder de functie huishoudelijke verzorging).
De overheid wilde een aantal beleidswensen zoals zorg op maat, zorg dichter aan huis en de gemeente als regisseur van maatschappelijke ondersteuning wettelijk vastleggen. Tegelijkertijd wilde men de groei van de AWBZ-uitgaven een halt toeroepen en meer samenhang bereiken in de uitwerking van de wetgeving op het gebied van zorg en welzijn. Daartoe moest de Wmo een aanzet leveren.
De belangrijkste doelstelling van de wet is het bevorderen van maatschappelijke deelname, in het bijzonder door mensen met een beperking.
Voor de WVG en de Welzijnswet zat er al geld in het gemeentefonds en vanuit de AWBZ is meer dan een miljard overgeheveld. Een deel van het geld is in de vorm van een doeluitkering bestemd voor de maatschappelijke opvang, vrouwenopvang, openbare geestelijke gezondheidszorg en verslavingsbeleid. Dit geld is uitgekeerd aan de ‘centrumgemeenten’ die moeten zorgen voor een juiste verdeling van de middelen in de omliggende gemeenten.
Financiering van zorg
Het financieringsstelsel voor de zorg ziet er nu (in vereenvoudigde weergave) uit als een drieluik:
- Voor alle kortdurende en op genezing gerichte zorg (huisarts en specialist) is er de Zorgverzekeringswet (ZvW).
- Voor de onverzekerbare risico’s (zoals langdurige opname na één jaar in een instelling) en zorg die aan huis moet worden geleverd (zoals medische zorg voor bedlegerige mensen) is er de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).
- Voor alle vormen van ondersteuning aan mensen die zelfstandig wonen (zoals door maaltijdvoorzieningen, hulpmiddelen, vervoer, advies of openbare geestelijke gezondheidszorg) is er de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
De Wmo zal naar verwachting in de toekomst nog worden aangevuld met functies die nu nog onder de AWBZ vallen (zoals de functie ondersteunende begeleiding).
Integrale zorgverlening
De Wmo voegt zoals gezegd een aantal bestaande wetten samen en legt de regie over de uitvoering van de wet bij de gemeente. Laatstgenoemde moet ervoor zorgen dat er binnen gemeentegrenzen een sterk en goed functionerend sociaal netwerk is waarin aanbieders van zorg (en welzijn) met elkaar samenwerken (integrale zorgverlening). Er is per gemeente één gemeentelijk loket waar iedereen een aanvraag voor een voorziening kan indienen.
Ook de bijdrage van burgers/mantelzorgers in dit geheel wordt sterk aangemoedigd (civil society). Dit alles in de hoop dat er meer eenheid komt in de maatschappelijke ondersteuning van mensen die dat nodig hebben.
Kaderwet
De Wmo is een kaderwet, wat wil zeggen dat de gemeente een redelijk ruim geformuleerde opdracht van de rijksoverheid krijgt en zelf de details moet invullen.
Op basis van de Wmo schrijft de gemeente een Wmo-verordening waarin een aantal artikelen uit de wet nader is uitgewerkt. Bijvoorbeeld, welke individuele voorzieningen de gemeente kan verstrekken.
De gemeente is na het overgangsjaar 2007 verplicht om een beleidsplan te hebben, geldend voor vier jaar (2008-2011). Op basis van artikel 11 van de Wmo moet de gemeente burgers en vertegenwoordigers van doelgroepen en instanties betrekken bij de totstandkoming van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.
Op basis van de Gemeentewet zijn in elke gemeente adviesraden gevormd waarin vertegenwoordigers van diverse doelgroepen en maatschappelijk instanties vertegenwoordigd zijn. Zo zijn er Wmo-raden, -platforms of –adviesraden in het leven geroepen. Zij worden uitgenodigd om hun mening over het beleidsplan te geven. In gemeenten wordt hieraan op verschillende wijze vorm gegeven.
De gemeente moet over het beleid verantwoording afleggen aan haar eigen gemeenteraad en burgers door middel van publicatie van de uitkomsten van een tevredenheidsonderzoek (jaarlijks voor 1 juli). Eveneens moet zij gegevens verstrekken over de Wmo-prestaties aan het Ministerie van VWS of aan een door het ministerie aan te wijzen onderzoeksinstelling. Niet omdat het ministerie de gemeenten wil controleren en aansturen, maar om een vergelijking tussen gemeenten onderling mogelijk te kunnen maken.
Ouderen, lichamelijk gehandicapten en chronisch zieken hebben van oudsher een sterke lobby en zijn goed vertegenwoordigd in de adviesstructuren. Dit geldt voor GGZ-cliënten niet of veel minder. Daarbij hebben niet veel gemeenten een integrale visie op cliëntenparticipatie. De gemeente moet zich ingevolge de Wmo ook op de hoogte stellen van de behoefte van kleine groepen of groepen die hun mening moeilijk kenbaar kunnen maken.
Hierin ligt een taak voor de GGZ om haar doelgroep binnen het gezichtsveld van de gemeente te houden. Het is belangrijk om in de gaten te houden of u en uw (gehele) doelgroep worden genoemd in de beleidsvoornemens van de gemeente. Vooral ook om te voorkomen dat de aandacht van de gemeente grotendeels uitgaat naar overlastveroorzakers. Gemeenteambtenaren hebben in het verleden alleen te maken gehad met OGGZ en bemoeizorg. De groep mensen met een psychische handicap die grotendeels een eigen leven leidt en slechts op een beperkt terrein om ondersteuning vraagt, is minder of helemaal niet bekend bij de gemeente.
Prestatievelden
De Wmo vraagt van de gemeente inzet op negen zogenoemde prestatievelden. Op deze prestatievelden of beleidsterreinen kan de gemeente door de lokale bevolking en belanghebbende partijen worden aangesproken in het gemeentelijk beleidsvormingsproces.
De prestatievelden laten zich zo lezen dat voor elk veld activiteiten zijn aan te wijzen waarvoor GGZ-instellingen diensten leveren of advies kunnen geven (ondersteuning, consultatie, preventie, rehabilitatie etc.).
Kansen voor vermaatschappelijking
Voordat de Wmo in werking trad, is er veel discussie geweest over de vraag of de wet daadwerkelijk de maatschappelijke participatie van mensen met een kwetsbaarheid zou kunnen bevorderen. De Wmo biedt hiertoe - door de beleidsvrijheid van gemeentebesturen, adviesrecht voor burgers en een ruime interpretatie van de negen prestatievelden - in ieder geval een kans. Eén en ander is natuurlijk wel afhankelijk van de spelers in het veld en hun bereidheid tot samenwerking.
De Wmo zet (psychische) gezondheid van burgers en de verantwoordelijkheid voor een deel van de zorgketen nu nadrukkelijk op de agenda van de politiek. De wet zorgt ervoor dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid die er is voor vermaatschappelijking en de noodzaak tot samenwerking verankerd ligt. Het zou de inspanningen op het gebied van welzijn en sociaal functioneren op een hoger niveau kunnen brengen.
Door de raakvlakken die er zijn tussen Wmo, Wet collectieve preventie volksgezondheid en de Wet Werk en Bijstand - zowel qua doelgroep als qua doelstelling - zou het mogelijk moeten zijn om met alle zorgaanbieders en gemeente te komen tot een nieuw integraal sociaal gezondheidsbeleid.
Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de zorgvragers zelf een bijdrage kunnen leveren aan de totstandkoming van goed beleid op het gebied van vermaatschappelijking.
Het is dan ook belangrijk dat wensen omtrent rehabilitatie en herstel, arbeidsre-integratie en dagbesteding, voorlichting en informatie, mee beslissen en meedoen worden gehoord en worden geconcretiseerd in tot de verbeelding sprekende projecten. Dit geldt zowel voor zorgverleners, als voor gemeente, als voor zorgvragers zelf. Vooral de laatstgenoemden hebben niets aan vermaatschappelijking, als hun visie over hoe zij wensen deel te nemen aan de maatschappij niet wordt gehoord.
GEVOLGEN VOOR GGZ-INSTELLINGEN
Aanbesteden en subsidie aanvragen
Financiering voor het leveren van diensten en voorzieningen moet worden geregeld door middel van een subsidieaanvraag bij de gemeente, dan wel via een aanbestedingsprocedure. Het is niet altijd op voorhand duidelijk welke weg zal of moet worden gekozen.
Hoewel er discussie is over de vraag of met name preventieactiviteiten zich niet beter lenen voor een (eenvoudigere) subsidierelatie, is hoe dan ook een trend zichtbaar richting meer aanbesteden van opdrachten voor zorg en welzijn door de gemeente. Dit gebeurt al bij re-integratietrajecten en sociale activeringsprojecten. Een ontwikkeling om rekening mee te houden.
Aanbesteden
Simpelweg kan worden gesteld dat wanneer voorzieningen op een potentiële markt kunnen worden verkregen, door de gemeente wordt ingekocht. Om problemen met aanbieders op de markt te voorkomen is een aanbestedingsprocedure de veiligste methode voor de gemeente. Dit, omdat deze openbaar is en concurrentieverstoring voorkomt.
Bij een aanbesteding gaat het om de inkoop van commerciële diensten, leveringen en werken door de overheid volgens een streng gereguleerde procedure. Aanbesteden is kort gezegd: het in de markt uitzetten van een opdracht door - in dit geval - de gemeente, waarbij verschillende ondernemers kunnen inschrijven door het indienen van een offerte. Het gaat hier dus om het sluiten van een overeenkomst tussen twee partijen met wederzijdse verplichtingen. De overheid betaalt en de gecontracteerde partij moet leveren.
Bij bedragen tussen 90.000 euro en 211.000 euro moet de overheid verplicht nationaal aanbesteden. Bij bijvoorbeeld de functie huishoudelijke verzorging gaat het al snel om zulke bedragen. Tot 2008 is het bedrag waarboven verplicht Europees moet worden aanbesteed voor decentrale overheden gesteld op 211.000 euro (drempelbedrag geldend voor 2006-2007 ex. BTW).
Het doel van aanbesteden is vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen, meer ondernemers een kans bieden en concurrentiewerking mogelijk maken. Op deze manier wordt ofwel de laagste prijs bereikt ofwel de beste kwaliteit/prijsverhouding.
Subsidie
De gemeente verstrekt subsidie ‘om redenen die voor het algemeen belang wenselijk worden geacht’. Zij geeft een budget in ruil voor bepaalde activiteiten van de subsidieontvanger. Het gaat dan meestal om zaken die voor het algemeen belang nuttig zijn en waar geen winstoogmerk meespeelt. De gemeente kan bepaalde voorwaarden stellen aan de uitvoering van de activiteiten. Als deze niet of niet goed worden uitgevoerd, kan de subsidie worden teruggevorderd.
Als het gaat om het aanvragen van subsidie is het noodzakelijk om de gemeentelijke subsidieverordening en de agenda van de gemeente goed te kennen. Elke gemeente heeft zo’n verordening en hanteert een agenda met deadlines voor het inleveren van aanvragen. Dit jaar - met name vanwege het feit dat 2007 als een overgangsperiode geldt - hadden veel gemeenten uitstel verleend voor het inleveren van stukken.
Veel instellingen hadden de activiteiten voor 2007 zelf voorgefinancierd en zijn bezig geweest om deze gelden terug te krijgen van de gemeente. Een aantal instellingen meldt dat de gelden (bijvoorbeeld voor collectieve preventie) voor 2007 soepel werden toegekend. Voor de komende jaren echter, is een groot aantal instellingen op dit moment druk bezig met overleg. Dit vergt ook een andere inzet dan voor 2007 nodig was, namelijk onderhandelingsspirit. Met name vanwege de verwachting dat er meer zal worden samengewerkt met andere partijen als GGD, MEE of maatschappelijk werk.
Bij subsidieaanvragen (formulieren zijn vaak te vinden op de website van de gemeente) moet aandacht worden besteed aan de begroting, de productie- en prestatieomschrijvingen, de doelen en activiteiten, de methode van werken, de doelgroepen en risico’s voor het niet behalen van gestelde doelen.
Het is belangrijk om aan de gemeente kenbaar te maken hoe de klanttevredenheid en kwaliteit binnen de instelling worden gemeten. Hierbij kan de missie van de instelling worden aangehaald en het gebruikte kwaliteitsmetingssysteem (HKZ, Preffi, Opus), de prestaties en het (maatschappelijk) belang van de werkzaamheden van de GGZ worden beschreven.
Organisatie en communicatie
Organisatie
Navraag leert dat GGZ-instellingen diverse oplossingen hebben bedacht voor de vraag wie binnen de instelling verantwoording draagt voor het regelen van financiering en het onderhouden van contacten met de gemeente.
Het kan een directeur algemene zaken zijn die tevens fungeert als beleidscoördinator Wmo (met mandaat van de Raad van Bestuur). Soms is hiervoor iemand aangesteld als accountmanager Wmo, portefeuillehouder of projectleider Wmo.
Er zijn instellingen waar ten tijde van de inwerkingtreding van de Wmo niemand specifiek voor dit werk was aangewezen, en waar preventiefunctionarissen het voortouw hebben genomen om een strategie te bedenken en hierover in overleg zijn gegaan met het management.
Het tegenovergestelde is ook te zien; sommige organisaties hebben intern een stuurgroep Wmo ingesteld, waarin vertegenwoordigers van verschillende zorggroepen, de dienst Financiën, Informatie en Communicatie en cliëntenvertegenwoordigers zitting hebben. In die stuurgroep wordt alles omtrent de Wmo besproken en beleid bepaald.
Controllers, organisatieadviseurs, secretarissen of medewerkers van de administratie bieden vaak ondersteuning bij het maken van de subsidieaanvraag.
Veel organisaties vertellen nog zoekende te zijn naar de best hanteerbare werkvorm binnen de organisatie. Ook als het gaat om het leggen van contacten en organiseren van samenwerkingsvormen met gemeente en andere partijen.
Voor de werkbaarheid en duidelijkheid naar buiten toe is het aan te bevelen één persoon per locatie of onderdeel aan te wijzen die als aanspreekpunt Wmo-zaken opereert. Dit is bij voorkeur een generalist die korte lijnen heeft met de Raad van Bestuur en management, vaardig is op het gebied van relatiebeheer en bijzonder goed op de hoogte is van het reilen en zeilen bij de gemeente én de eigen organisatie. Over het algemeen geldt: korte lijnen en heldere afspraken lonen.
Communicatie
Sommige instellingen geven een Wmo-krant uit met daarin artikelen over rehabilitatie en re-integratie, OGGZ, preventie, maatschappelijk steunsysteem etc. om aan hun activiteiten bekendheid te geven. Zie bijvoorbeeld ‘Altrecht Wmo Nieuws’ (Utrecht) of de Wmo-krant van GGZ Eindhoven. De Symfora groep (regio Almere, Gooi en Vecht, Oostelijk Utrecht en de Veluwe vallei) adverteert met een pagina over haar activiteiten in de gemeentelijke Wmo-kranten.
Daarnaast besteden heel veel instellingen aandacht aan de Wmo op hun eigen website.
In contacten met de gemeente is het goed om op een inzichtelijke, zakelijke manier aan de beleidsmedewerker Wmo of wethouder Zorg en Welzijn uit te leggen wat de rol van de GGZ kan zijn. Een kort en krachtig ervaringsverhaal verteld door een (ex-)cliënt maakt in een onderhandelingsfase vaak meer indruk dan een lange powerpointpresentatie.
Bij organisaties waar veel is geïnvesteerd - en nog steeds wordt geïnvesteerd - in informatiebijeenkomsten voor de gemeente (al dan niet samen met het zorgkantoor) in combinatie met de aanwezigheid van cliëntenvertegenwoordigers, is vaker een positief resultaat te zien.
Er zijn cursussen ontwikkeld voor het trainen van ambtenaren bij het gemeenteloket, de sociale dienst, de woningbouwcoöperaties en overige maatschappelijke instanties (bijvoorbeeld in gemeente Kampen geïnitieerd door cliëntenorganisaties, in gemeente Eindhoven door GgzE en in Oost Brabant door GGZ Oost Brabant).
DO'S EN DON'TS
Uw organisatie
1. Zorg dat er een centraal figuur is binnen de organisatie die zowel de communicatie intern als extern (naar de gemeente) verzorgt als het gaat om Wmo-onderwerpen.
Deze persoon moet bij voorkeur een generalist zijn, kennis hebben van de agenda en de beleidscyclus van de gemeente én goed de weg weten binnen de eigen organisatie (daar horen natuurlijk ook bevoegdheden bij).
2. Zorg ervoor dat uw organisatie en haar taken genoemd zijn in de beleidsstukken van de gemeente. Onderhoud het contact met de gemeente.
Zorg dat u én uw cliënten vertegenwoordigd zijn in de adviesraad, het Wmo-platform of ander lokaal of regionaal overlegorgaan waarin maatschappelijke instanties zitten.
3. Ken uw huidige en nieuwe ‘producten’ en weet wat ze kosten. Weet wat u te bieden heeft naast reguliere behandeling en maak een snelle inventarisatie ervan.
Vertaal deze producten naar Wmo-termen. Gebruik woorden als ‘participatiebevorderend’, ‘preventie’ of ‘toeleiding naar zorg’ om cursussen of zorg en ondersteuning te kenmerken.
Vermijd termen als ‘behandeling’ want alle op behandeling geschoeide initiatieven vallen onder andere wettelijke regelingen (ZvW/AWBZ).
4. Weet waar het over gaat: de gemeente kan subsidie verstrekken maar koopt ook diensten en goederen in. Als het gaat om producten die op een potentiële markt met meer aanbieders te verkrijgen zijn, doet zij dat steeds vaker via een aanbestedingsprocedure.
Partijen in het veld
5. Wees niet terughoudend in het vinden van opdrachtgevers. Er zijn er meer dan de gemeente. Denk aan politie, scholen en woningbouwverenigingen die zitten te springen om informatie en advies over ‘psychiatrie’. Ga doelgericht te werk in het bedenken van voorstellen, denk niet in organisatie-eenheden, maar in doelen en functies. Wees creatief.
6. Zoek samenwerking met logische partners. Samenwerking is één van de doelstellingen van de Wmo! Denk aan de GGD, MEE, Bureau Jeugdzorg, Welzijnswerk, Algemeen maatschappelijk werk, Maatschappelijke Opvang, het Steunpunt Mantelzorg en familieverenigingen en Verslavingszorg. Laatstgenoemde is een heel nabije partner. Zij weet heel goed hoe zij met de gemeente moet omgaan.
7. Claim je rol als expert op het gebied van psychische problematiek. Bied expertise expliciet en tegen betaling aan. Denk aan betaalde consultatie, bijscholing van politie, docenten, ambtenaren, buurthuismedewerkers enz.
Denk hierbij in ieder geval aan het aanbieden van scholing van de medewerkers van het gemeentelijk Wmo-loket. Zorg er ook voor dat er een afspraak bestaat tussen het Wmo-loket en de GGZ over het doorverwijzen of consulteren bij (een vermoeden van) psychische problematiek.
8. Onderhandel transparant en wees realistisch in wat de GGZ wel en niet kan bieden. Andere partijen hebben de GGZ weer iets te bieden aan expertise of werkbare formules.
De gemeente
9. Benut ervaringsdeskundigheid om de gemeente en andere instanties op verschillende niveaus kennis te laten maken met de doelgroep.
Bedenk wel dat een wethouder of beleidsambtenaar vaak net weer wat andere dingen wil horen dan een GGZ-directeur of huisarts.
Denk eraan dat een kennismaking bij de gemeente(ambtenaren) tweeledig moet zijn: presenteer cijfers over de lokale situatie in combinatie met een ervaringsverhaal gepresenteerd door een cliënt of ex-cliënt. Om een voorbeeld te noemen: ongeveer één op de 16 volwassenen tussen 18 en 65 jaar leed het afgelopen jaar aan depressie. De cijfers werken vaak ontnuchterend, de ervaringsverhalen werken vaak overtuigend.
10. Voortbordurend op het vorige: geef openheid over het aantal cliënten in behandeling en de stand van zaken met betrekking tot psychische problematiek in uw regio. Kom met reële verhalen over mate en ernst van de problemen aan de hand van eigen ervaringen en uw registraties.
Uit onderzoek blijkt dat psychische stoornissen veel voorkomen, waarschijnlijk veel meer dan uw lokale beleidsmedewerker van de gemeente denkt. Een nuancering hierop is echter wel dat niet iedereen hiervoor professionele hulp zoekt of een beroep doet op een reguliere voorziening.
Het ministerie van VWS noemt een aantal van 120.000 mensen met chronisch psychische problemen. Daarnaast wordt de groep met psychosociale problemen geschat op ongeveer 500.000 personen (www.minvws.nl/dossiers/wmo).
Voorts staan cijfers en feiten genoemd in de uitkomst van landelijk onderzoek gedaan door het Trimbos-instituut (NEMESIS-onderzoek).
U kunt hierover ook contact zoeken met de GGD. Tenslotte is het hun werk om de lokale situatie te ‘monitoren’ en ze hebben veel epidemiologische kennis in huis.
11. Claim de regierol als het gaat om de uitvoering. De bestuurlijke regie blijft natuurlijk bij de gemeente. Ook kan er met ketenpartners worden afgesproken wie de regierol heeft voor het oprichten en in stand houden van een keten. Dit moet vanzelfsprekend wel worden afgestemd met de gemeente.
12. Veel is al duidelijk geregeld maar er is nog een grijs gebied. Heb er begrip voor dat er nog zaken ‘uitonderhandeld’ zullen moeten worden. Wees alert op de rol die u hierin zou kunnen vervullen. Door goed relatiebeheer kunt u inspelen op de ontwikkelingen en de rol die de GGZ hierin kan vervullen.
Help de gemeente met het bedenken van andere bronnen van financiering die uiteindelijk Wmo-doelstellingen haalbaar kunnen maken. Zo hebben sommige gemeenten geld uit de WWB (Wet Werk en Bijstand) of het Europees Sociaal Fonds om mensen met beperking te helpen aan het werk te gaan of een sociaal activeringstraject te volgen. Omdat er een overlap in doelgroep is, kunt u in dat soort projecten participeren.
Algemeen
13. Redeneer vanuit het gedachtegoed van rehabilitatie en herstel en wat hiervoor nodig is. Breng deze doelstellingen met gedrevenheid.
Het krijgen van een psychische stoornis is, hoewel niet uitzonderlijk, vaak erg ingrijpend maar het beloop ervan hoeft niet hopeloos te zijn.
Het gaat erom de kwaliteit van leven van mensen met een psychische beperking te verbeteren, hun emancipatie te bevorderen en stigma’s te bestrijden. Door resultaatgericht bezig te zijn kan de vermaatschappelijking op een hoger niveau worden getild.
Daar kan de GGZ zelf een hoop in doen. Al met al een positieve boodschap.
14. Stel u open op en vermijd eenkennigheid. De GGZ heeft nogal eens de naam gesloten te zijn. Toon interesse voor de problemen van andere partijen in het veld en zoek naar oplossingen en vruchtbare samenwerking. Vul elkaar aan.
15. Sta open voor nieuwe initiatieven. Raadpleeg uw eigen cliënten, want daar zit een bron aan ervaring en ervaringsdeskundigheid.
DE NEGEN PRESTATIEVELDEN
De Wmo geeft uitleg aan het begrip ‘maatschappelijke ondersteuning’ verwoord op een negental beleidsterreinen waarin de overheid van de gemeente inspanningen verwacht. Hieronder volgen per prestatieveld enkele voorbeelden.
Prestatieveld 1 omvat het bevorderen van sociale samenhang in en leefbaarheid van dorpen, wijken en buurten. Doel is een grotere betrokkenheid van mensen die bij elkaar in de buurt wonen.
Voorbeelden hiervan zijn:
- bemoeizorg bij overlast in de buurt, samenwerking met politie en woningbouwcorporaties;
- ontmoetingen en koffie drinken in buurthuizen en wijkgebouwen mogelijk maken voor GGZ-cliënten;
- wijkgerichte voorlichting.
Prestatieveld 2 gaat over op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en/of ouders met problemen met opvoeden. Jongeren die een risico vormen op uitval op school door problemen in de opvoeding of psychische problemen, of dreigen de criminaliteit in te verdwijnen zijn hier specifiek bedoeld.
Hierin kan de GGZ veel doen in het kader van informatie en voorlichting aan ouders, gemeente en scholen.
Denk aan:
- deelname zorgteams onderwijs;
- consultatie en cursussen aan leerkrachten over bijvoorbeeld pesten;
- KOPP/KVO, KIPIZIVERO;
- weerbaarheidstrainingen voor kinderen/jeugd;
- Triple P.
Bij elke gemeente Prestatieveld 3 gaat over het geven van informatie en advies en cliëntondersteuning. is een Wmo-loket gevestigd waar mensen advies kunnen krijgen en een aanvraag om ondersteuning kunnen doen. De gemeente laat zich hierbij leiden door de één-loketgedachte waardoor men maar één keer naar de gemeente hoeft te gaan om over de Wmo-voorzieningen en AWBZ-zorg informatie te krijgen.
Het is belangrijk dat de loketmedewerkers op de hoogte zijn van de behoeftes van de doelgroep ‘psychiatrie’ en getraind worden in het omgaan met mensen met psychische problemen. Het inzetten van ervaringsdeskundigen hierbij is een effectieve manier van voorlichten. Ook kan samenwerking worden gezocht met GGZ-informatiepunten of
-loketten.
Om de laagdrempeligheid te bevorderen zou het zinvol kunnen zijn als gemeenten het gemeenteloket situeren in een voorziening waar ook GGZ-cliënten gemakkelijk naar binnen stappen (zoals bijvoorbeeld de bibliotheek) of een GGZ-informatiepunt te integreren in het gemeenteloket.
Cliëntondersteuning gaat een stap verder dan het geven van informatie en advies. Hierbij kan het gaan om vraagverheldering of kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op alle levensgebieden.
Voorbeelden zijn:
- ontwikkelen van folders over ziektebeelden en behandelingsaanbod GGZ;
- consultatie en cursussen psychopathologie voor loketmedewerkers;
- voorlichting aan loketmedewerkers over ‘wat te doen’ bij het vermoeden van psychische problematiek/verslaving;
- vraagverheldering voor cliënten voordat ze naar het loket gaan;
- ondersteuning aan cliëntenorganisaties en GGZ-informatiepunten;
- trainingen voor gemeenteambtenaren maar ook politie en medewerkers van woningbouwverenigingen.
Prestatieveld 4 gaat over de mantelzorgers die onder meer moeten worden ondersteund bij het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet kunnen waarnemen, en de ondersteuning aan vrijwilligers.
Denk hierbij aan
- depressiepreventie mantelzorgers;
- actieve samenwerking met steunpunten mantelzorg;
- informatie en voorlichting;
- aandacht voor jeugdige mantelzorgers (KOPP!);
- hulp bij het aanvragen indicaties;
- ondersteuning vrijwilligersorganisaties, trainingen aan ervaringsdeskundigen.
Prestatieveld 5 behelst het bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van mensen met een beperking, een chronisch psychisch of psychosociaal probleem. Het gaat hier om toegankelijkheid van woonomgeving en openbare ruimten. Ook het organiseren van activiteiten met een sociaal of sportief karakter voor specifieke doelgroepen valt hieronder.
Hier heeft de wetgever gedoeld op voorzieningen die iedereen ten goede kunnen komen die daaraan behoefte heeft, zolang mensen met een beperking er in ieder geval maar baat bij hebben.
Voorbeelden hiervan zijn:
- kwartiermakersprojecten;
- dagbestedingsprojecten;
- sociale activering;
- rehabilitatie-inspanningen of trajectbegeleiding, financiële begeleiding;
- opzetten maatschappelijk steunsysteem.
Prestatieveld 6 betreft het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem, ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hier gaat het om het verlenen van individuele voorzieningen, of voorzieningen die op de behoefte van het individu zijn aangepast.
Te denken valt aan:
- begeleiding bij zelfstandig wonen;
- vervoer voor mensen met een beperking die niet alleen kunnen reizen (bijvoorbeeld door een angststoornis of verwardheid);
- sociale restaurants en maaltijdvoorzieningen.
Prestatieveld 7 houdt in het bieden van maatschappelijke opvang, waaronder vrouwenopvang en het voeren van beleid ter bestrijding van geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd.
Voorbeelden zijn:
- consultatie maatschappelijke opvang;
- opvang (zwerf)jongeren met psychische problematiek;
- sociaal pension;
- backoffice voor Advies en Steunpunt huiselijk geweld.
Prestatieveld 8 gaat om het bevorderen van de openbare geestelijke gezondheidszorg, met uitzondering van het bieden van psychosociale hulp bij rampen.
Voorbeelden zijn
- preventie;
- signaleren en bestrijden van risicofactoren;
- toeleiding naar zorg;
- bemoeizorg;
- functioneren als meldpunt of intermediair tussen alle betrokken partijen voor wat betreft de uitvoering van de ondersteuning in de OGGZ. Nadrukkelijke samenwerking met de GGD, meldpunt Vangnet en Advies en crisisdienst;
- beleidsadvisering;
- ACT-teams.
Prestatieveld 9 behelst het bevorderen van verslavingsbeleid. Hier gaat het niet om de geneeskundige, maar om de maatschappelijke zorg voor verslaafden.
Voorbeelden hiervan zijn:
- inspanningen op het gebied van preventie verslavingsproblemen;
- voorlichting over binge-drinking bij jeugd;
- ouderen en alcohol als zelfmedicatie (relatie depressie en eenzaamheid).
Kijk voor een voorbeeld van hoe een instelling inzichtelijk maakt hoe zij op alle terreinen actief is bij: http://www.altrecht.nl/. Bij de zoekfunctie vult u in: WMO. Doorklikken naar psychische problemen - WMO – algemeen.
Voor cijfers over de vraag hoe vaak psychische stoornissen voorkomen zie:
De site van het Nationaal Kompas Volksgezondheid: http://www.rivm.nl/vtv/object_class/kom_psychstoor.html
Klik op één van de stoornissen en dan op ‘omvang van het probleem’.
De site van het Trimbos-instituut: http://www.trimbos.nl/default2.html
Of ‘google’ naar NEMESIS trimbos.
De site van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport:http://www.minvws.nl/
Zoek onder ‘beleid en financiën’ en dan onder ‘feiten en cijfers’.
Adressen
Kenniscentrum Rehabilitatie
Bezoekadres:
Da Costakade 45
3521 VS UTRECHT
Postadres:
Postbus 1203
3500 BE Utrecht
Tel: 030-2931626
Fax: 030-2936322
Internet: www.kenniscentrumrehabilitatie.nl
Het Platform Vermaatschappelijking is georganiseerd door het Landelijk Steunpunt Preventie.
Bezoekadres:
Da Costakade 45
3521 VS Utrecht
Postadres:
Postbus 725
3500 AS Utrecht
Als u het platform wilt bellen of mailen dan kan dat via het secretariaat:
Tel: 030-2971145 / 49
email:
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.
COLOFON
Deze notitie is geschreven in opdracht van het Kenniscentrum Rehabilitatie en het Landelijk Platform Vermaatschappelijking voor gebruik door lidinstellingen van het Kenniscentrum Rehabilitatie en leden van het Platform Vermaatschappelijking. Verder voor eenieder die geïnteresseerd is of dit onderwerp tegenkomt in zijn of haar werk in de GGZ, zoals managers, preventiewerkers en beleidsmedewerkers.
U kunt de uitgave gratis downloaden van de site van het Kenniscentrum Rehabilitatie.
© 2007, Kenniscentrum Rehabilitatie, Utrecht
en Landelijk Platform Vermaatschappelijking, Utrecht